donderdag 15 mei 2008

donderdag 15 mei

8u ---> Lucie. Had me wakker gebeld als ik niet net 5 minuten voor ze me belt wakker geschrokken was, geen besef van tijd maar wel van het een op het andere moment notie van het feit dat Lucie me om 8u uit bed zou bellen. Rond een uur negen op het woonerf. <--- Niemand. Dan Jan en Lucie en ook een enveloppe die in Brooklyn afgestempeld werd. Jan en Lucie verwerken de levering van Hanssens Hout, 6 plakken mdf van 305x122cm. Het is iets na elf als ik weer op het woonerf aanbeland. Sarah en Leen zitten aan het barmeubel en drinken koffie, in de witte ruimte is Alda bezig. Achterin is de corridor afgesloten met een zwart gordijn. Sarah is zeer te spreken over de stempel van de in Brooklyn afgestempelde enveloppe. Een enveloppe met zo'n stempel zou ze ook wel eens willen ontvangen, zegt ze. Leen gaat in de grote zaal aan de slag. Eergisteren spam van een firma uit Xiamen, China, ze hebben zich gespecialiseerd in het kopiëren van Westerse schilderkunst. Voor de grap had ik op het mailtje geantwoord. Vannacht tuimelde het tegenbericht in de inbox: Dear Hans.
Thanks for your suggestion.
We will consider your advice and make some changes, and do you want paintings of poultry?
if you need, we will manufacture for you.
Thanks.
Regards,
Gary Wu

We halen de stelling weg uit de witte ruimte, bouwen ze weer op in de grote zaal, Sarah wil de bovenkant van de tussenmuur afwerken en Steffie springt binnen. Ze heeft twee rollen dubbelklevend gekocht, een van de rollen is voor Alda. We bekijken de tekeningen. De tekeningen tonen het eindresultaat. In de ruimte van Lucie kwam een enorme hoeveelheid materiaal terecht. Later zegt Lucie dat de tafels eigenlijk geen tafels zijn. Ik schilder de achterzijde van de tussenmuur. Jan is met de tafels bezig. Elke tafel bestaat uit twee vierkante stukken mdf van pakweg een meter op een meter, verstelbaar, en rust op vier schragen. Jan van Leen springt binnen.
Er is een rustige en zinderende drukte. Zo is het altijd, het mooiste moment van een project is vaak de opbouwperiode.

avond

Regen klatert over het dak. Sarah en Jan zijn ervandoor. Alda is bezig in de witte ruimte. We controleren de dataprojector. Tot gisteren had Joris het ding in leenbruik, het is er een van 2000 Lumens. De andere hebben 1500 Lumens. De tussenmuur is afgewerkt, het liep beter dan gisteren wat ongetwijfeld met de temperatuur en de vochtigheid te maken heeft. Jan ging met een stofzuiger aan de slag. De zwarte constructie staat proper. Later is er een probleem met de projectiehoek maar eigenlijk is het niet veel meer dan een detail.

De witte ruimte blaakt. Alda is er niet. Regen. Het regent. Het woonerf is in een rivier veranderd, in de corridor staan plassen, de regenpijpen kunnen de toevloed niet verwerken. Regen dondert over het stadje. De regen ratelt, trommelt, klettert, rammelt, schettert, reutelt, spettert, gromt, tatert, dondert. Bliksemschichten schieten over het stadje, water zuipt over het woonerf, het slikt en slokt in de regenpijpen. Een lawine van geluid. In de grote zaal is Lucie met een wandsculptuur bezig. Een nieuwe vlaag ratelt over het dak. Op het woonerf komt het water met bakken neer.

En als het nu eens veertig dagen en veertig nachten zo bleef regenen. De eerste dag druppelt het oude vrouwtjes in zwarte, slappe jurken. De tweede dag giet het bakstenen. De derde dag dondert het tonnen kots over het marktplein. De vierde dag regent het neukende honden. De vijfde dag regent het de hele dag. De zesde dag beukt het tientonners op het asfalt. De zevende dag pissen we met z'n allen op straat. De achtste dag is de eerste dag. Oude vrouwtjes in zwarte, slappe jurken tippelen op dunne, niet zo strak aangespannen koordjes. Er gaat het gerucht dat er eentje verdronken is toen ze blatend bovenop het dak van een garage kroop. Grepet kwam met dat gerucht, z'n balg glom van het vet en als steeds vond hij het heerlijk om me met die reuzel van z'n achterlijke verstand lastig te vallen. 'Het wijf is verdronken! Het wijf is verdronken!,' riep hij. 'Ze is verdronken! Ze is verdronken!' Een achterovergetuimeld worstenkraam, die Grepet. M'n knokels jeukten. 'En moet je dat jasje van je zien,' deed hij er een schep bovenop, 'kan je dat niet beter naar de uitdrager brengen.' Hij floot tussen z'n tanden en het regende en het bleef maar regenen. De negende dag drensten sloten drek over het stadje. De tiende dag kotste ik in de wecepot. De elfde dag schopte ik per vergissing een emmer met houtlijm omver. De twaalfde kletterden schroefboren en door de lucht keilende paraplus over het straatdek. En zo ging het maar door. In de minder bedeelde buurten werd er gezopen dat het geen maat had. Iemand tilde een tafel op, zo, nam het meubelstuk met beide pollen vast, stak het in de hoogte, een dakwerker naar het schijnt, behaarde borst, explosief spierweefsel. Net toen hij op het punt stond om er het gat in de dakbedekking mee dicht te meppen zakte hij door de plankenvloer. De dertiende bleef het regenen alsof het in geen eeuwen geregend had. Dat van die daklegger stond in de gazet. Ja man, begonnen we tegen elkaar te zeggen. Dat herinner ik me nog heel erg goed. Ja he, dat is niet gezeverd he, zeiden we. Vakbekwame lui begonnen aanlegsteigers te timmeren die gedurende enige dagen uit het raam hingen tot het water hoog genoeg stond. Ik weet nog dat Boudewijn en Lu op een dag langskwamen, ze hadden hun fietsen ingeruild voor kanos en zwaaiden met glimlachende goedkeuring. In crox hadden we toevallig het project van een Chinese kunstenaar die drie bezoekers doormidden gesneden had. De ene helft van het drietal stond in de witte ruimte, de andere helft in de grote zaal. Veel had je er niet aan, je moest al wat ervaring met diepzeeduiken hebben om het werk van dichtbij te kunnen bekijken. We haalden er een dakwerker bij die het dak weghaalde. Dat hielp. Door de hoge waterstand zaten ze bij de burgerlijke stand met de handen in het haar. Ik weet nog hoe ik toekeek vanop een brugje. Het was een prachtige dag. Himalayaketens donderden over het stadje, sommige ketsten af en keilden door het luchtruim, plukten met buitensporig geweld buitenwijken mee. Reutelend gekrijs spetterde over de agglomeratie. Borrelend verspreidde zich de fanfare van honger en dorst. De veertigste dag was een dag van schoonheid. Op een houten tafelblad dobberde ik boven het stadje.
'De regen is gestopt! De regen is gestopt!' En ik had alle kleuren die op het tafelbad stonden. Is groen, bedacht ik, me vaag herinnerend wat groen was, is blauw, is rood, is geel, is zwart. Nieuwe avonturen tegemoet dreef ik over het duistere zwerk. Op het water dobberde een fles Heinz ketchup.

Geen opmerkingen: