woensdag 5 augustus 2026

vis

Ronny wijst een van de voorwerpen aan, van de voorwerpen op tafel, vraagt, en vraagt, wat, dit, wat het is.

Dat ze dus een vis had moeten kopen, zegt Yvonne.
Zit met een schele blik, Ronny, met een schele blik zit hij naar het ding te kijken.

Nu ze een pinguïn heeft, zegt ze. een wat Een pinguïn, zegt ze.

Elke ochtend de scheurkalender. (wordt

a. vervolgd

b. verwijderd 365 bladzijden. Dat ze dus, zegt ze, vis had moeten kopen, nu ze een pinguïn heeft.

Ronny, één oogopslag verwijderd van de blote kont van juffrouw Werdenfels, die iets van Sebald op tafel heeft, a vintage classic,
     I
In August 1992, when the dog days were drawing to an end, I set off to walk the country of Suffolk,

Vis voor de pinguïn, zegt ze. Had ze niet aan gedacht, vis voor de pinguïn. Heeft ze een boek gekocht.

Wat voor boek, Ronny plaatst het gereedschap, stelt een vraag.

Had ze niet moeten doen, zegt ze. Lezen doet ze natuurlijk nog wel, daar heeft ze geen boek voor nodig.
Had ze niet aan gedacht, vis voor de pinguïn. Elke ochtend de scheurkalender. Dan het idee dat ze geen pinguïn maar toch liever een hond gehad wou hebben. Geen pinguïn natuurlijk maar zo'n dikke, zo'n bijna demente hond die met kromme, korte pootjes over het voetpad baggert. Had ze die vis niet moeten kopen dus, als ze een hond had gehad. Wat een idee ook om een pinguïn als huisdier te nemen. Ik koop geen hond, ik koop een pinguïn, zei ze.

Geen hond maar een pinguïn. Zo'n trage, zo'n dikke, zo'n bijna demente pinguïn die traag met beide handjes stokstijf in de zakken van z'n maatpak naast haar over het voetpad sjokt.

Wat ga je doen, ma, vraagt Ronny. Ik koop een hond, zegt ze. Had ze dat boek niet moeten kopen, als ze een hond had gehad.

het plein

Op het Brusselse terras zit een Brits echtpaar over een lokale reisgids. Op het plein, zo wordt verteld, is een nieuw personage verschenen, Manschappen. Een cavalerie, Breinaalden, grafzerken, groepsfoto’s, wat het door Hockney met kleurpotlood als meesterwerk afgehandelde en voor een waanzinnig bedrag aan een tandarts uit Harrisburg Pennsylvania verpatste echtpaar niet opmerkt, hetzij omdat zich aan het zich vlak bij de beursschouwburg bevindende terras aan één stuk door nieuwe personages voordoen, hetzij omdat specifiek dit personage niet als zodanig in de lokale reisgids vermeld staat, hetzij om een bij schrijver dezes onbekende reden, of omdat een boom in de weg staat. Een krachtinspanning die met elke stap vijfhonderd manschappen kost. Het garnizoen is al een hele tijd niet langer in staat om met verse kracht te komen. Voorraad op. Wat de reisgids wel vermeldt is dat zich aan de esplanade vlakbij het Jubelpark een betrekkelijk nieuw maar niet bepaald fris ogend personage voordoet, het bij de lezers en lezeressen van het feuilleton Ich habe überhaupt kein Problem mit als Ronny Vrast bekend staand geval, van de vele fotografisch geportretteerde fenomenen die zich in het periodieke spektakel van het door een naamgenoot van Gombrowicz uitgegeven blootblad voordoen misschien wel het meest tot de verbeelding sprekende delicatorum, een vadsig individu met een tegenwoordig als uitgesproken merkantiel gepromoot uiterlijk, blauwe huidskleur, harig, stropdas, maatpak, vier poten, staart, een bedrijvige maar niet de meest bedrijvige telg van een gravel, cement en baksteen kakkend proletarisch geslacht. Nog één voetstap, senhor, en U zal wegzakken in dat proletarische geslacht. Noem het verplettering van, Van een hond bijvoorbeeld. Op één staat vis, op twee staat hond. Over wat op drie staat geen bericht. Noem het de verplettering van, als ’t ie braaf is tenminste. Er is geen brug. Tussen elke voetstap gaapt een diepe kloof. In elk tuinhuis staat een pinguïn. Een winkelstraat die zich van de dichtsbijzijnde hoek tot ver voorbij de Oeral uitstrekt, verder, tot aan de Poolzee. Cavalerie, dat is wat we nodig hebben. Nog één voetstap, Senhor, en U zal wegzakken in een diepe kloof. Wat U vijfhonderd manschappen kost. Meer noordelijk hebben we een moerassig gebied en hier overwegend lui met een hoogst onaangename stoelgang. Voorraad op, geen vis, de winkeltassen, een hond, de pinguïn, daar smijten ze tegenwoordig mee, na elke voetstap. Die diepe kloof. Of misschien toch maar een hond, ik heb het op te zoeken. In het vijfde deel van de verzamelde werken van Tsjechov dat een witte keeshond achter haar aanzat. Heeft vis genoeg aan één pinguïn? Voetje voor voetje, met een laatste, heroïsche krachtinspanning schud je de wikkel van de winkelruit van je af, met elke voetstap een titanisch gevecht, het dilemma van nog een stap nog een stap, of geen stap. Duizend keer die handeling. En met elke stap, oh, ik ben er nog, niet opgeslokt door de diepte van het voetpad. En dit, een wanhoopsdaad, tot aan de Poolzee.


Die krachtinspanning schudt ze van zich af, daar is het boek te oud voor. Of misschien toch maar een hond? Het raadsel werelddeel.

dinsdag 4 augustus 2026

transcriptie

Een blauwe kotsvlieg betast de statusbalk van een vleeskleurige cell-phone die op het bureel van juffrouw Werdenfels naast de blote arm van Hermeline terechtkwam, Thelma en Hermeline die de koffiepauze van halfelf voor een ritueel à deux pas gebruiken, manicure, het lakken van de vingernagels van Hermeline, tien in totaal, Hermeline die op dit moment inderdaad nog over al haar vingers beschikt en beide handen op het bureel van juffrouw Werdenfels heeft uitgestald, kleine, bleke, glad gepolierde handen,
       
       . Kleine handen: Duiden op jeugdigheid, fijnheid of fysieke zwakte. 
       . Bleke handen: Geven een gebrek aan zonlicht, levendigheid of een ietwat ziekelijk of spookachtig uiterlijk aan.

       . Glad gepolierde handen: Drukken een volkomen egaal, zacht en bijna onmenselijk glad oppervlak uit, alsof er geen rimpels, littekens of ruwheid te bekennen

is, te bekennen is,

de bijna onmenselijk gladde handen van Hermeline,
Als je zoekt naar de bron van een specifiek citaat of gedicht waarin deze zin voorkomt, geef dan gerust meer tekst of de naam van de auteur zodat ik het voor je kan opzoeken.

waar juffrouw Werdenfels als ze daar aandacht voor had gehad natuurlijk net wel een en ander opgemerkt kon hebben,

       . Lichte schrale plekken of roodheid door koude, wind of vaker handen wassen.

       . Tijdelijke afdrukken. Indrukken in de huid door strakke kleding, sieraden of ergens lang op leunen.           . Kleurverschillen. Lichte pigmentvlekken, sporen van henna, inkt, of tijdelijke droogte en roodhuid door kou.

       . Krasjes. Littekens. Krasjes en schrammen: kleine, oppervlakkige sporen door alledaagse activiteiten, huisdieren of werk. Littekens. Kleine littekens van eerdere ongelukjes of snijwondjes op de knokkels of handrug.

wat specifiek met betrekking tot de hier beschreven gebeurtenis ondanks de degelijke opvoeding die juffrouw Werdenfels genoot spijtig genoeg niet het geval is, juffrouw Werdenfels heeft geen aandacht voor de schrale plekken, de tijdelijke afdrukken, de kleurverschillen, de krasjes, de littekens; Hermeline bovendien heeft alleen aandacht weten op te brengen voor de harige vlieg, een exemplaar van de soort Calliphora vomitoria, die van het schermpje van de roze-gemarmerde cell-phone van juffrouw Snik naar het dienstboekje van Thelma wipt, behendig over en onder stapels papier tippelt, een potlood, een lepel die als loopbrug op de rand van een nog leeg te lepelen kom tomatensoep rust, tussen en over boeken manoeuvreert, Pynchon, Woolf, een dozijn Agatha Christie novels uit de Green Penguin Series, iets van Murnane, iets van Larbaud, iets van Schmidt, de stoffelijke overschotten van die boeken, waarna het insect bewegingsloos aan de rand van het bureel blijft zitten, vlak bij een halve loempia en het restje slagroomtaart, niet voor lang evenwel, na een acrobatische notitie boven het tafelblad strijkt het neer op bladzijde 164 van het derde deel van The Virginia Woolf Diary
 
                            his wife

        at the Ethical Society,

                           (1896);

                           her name,

en hoewel Thelma normaal gesproken 360 toetseenheden, makkelijk 360 toetseenheden per minuut presteert, zes toetseenheden per seconde, is dat lang niet snel genoeg om het spervuur aan buitelingen en pirouettes van het vliesvleugelige rekenwonder bij te houden, van

                                     wrongly,

refused Sibyl

bovenaan bladzijde 165, tot de milde verwijzing op de verpakking van een zak met hazelnootkoekjes; bladzijden uit And Then There Were None knippen, scheuren van Murnane en Woolf; in de kleinste kamer een glibberige stront uit de darmen persen; doorspoelen. Perec page 42,

Nothing is easy. Nothing is quick. Everything is wrong. You could not but get it wrong. You could only ever end up like this. Caught in your own trap, by your own folly, xxx



Er is inderdaad een periode geweest, als gebruikelijk lang voor ze maar één woord van Perec gelezen had, dat ze



Het is elke dag het eerste wat ze doet, in een schriftje dat soms afdwaalt onder het bed, noteert ze wat ze zich van wat ze droomde herinneren kan, halsoverkop, zinnen die ze na ontbijt en bad meestal niet weet te ontcijferen, als een school haringen waar alleen het spoor van een brommertje een vreselijk lelijke jaap liet. Van het gesprek met Tuytens en Verdegem bijvoorbeeld kan ze zich, dat wil zeggen als ze het gesprek genoteerd had kunnen hebben, een half uur na het gesprek geen woord herinneren, en als ze het gesprek opgenomen had, had het ontcijferen zoveel tijd genomen dat ze er ongetwijfeld niet eens aan begonnen was.



Met Van Massenhove neemt ze het werk van Orwell door. Van Massenhove stelt voor om alles van Orwell niet één maar twee keer te schrappen.



Als er een vermogingsbelasting geweest was, argumenteert Tuytens, gesteld dat een of andere idioot ooit op het malafide idee had kunnen komen om zo'n belasting in te voeren, dan hadden ze er geen halve dag over gedaan om het ding af te schaffen.

In de geschreven pers duiken foto's op die een Franse fotograaf seconden na de executie van Che Guevara genomen heeft.

Of het uitzonderlijk is dat een Frans fotograaf van de executie op de hoogte was?



In Ruimten Rondom komt Perec tot de conclusie dat het zo goed als onmogelijk is om een nutteloze kamer te bedenken.
Verdegem steekt een sigaret op, grinnikt.



1. The weird déjà vu sensation sensation that “now” has happened before is clearly due to brief erasure failure, so that we encounter already stored memory data coming round again. Time dragging or racing must reflect tape speed. William S. Burroughs, “The Revised Boy Scout Manual”

vrijdag 31 juli 2026

Verdegem


Verdegem zit op drieduizend bladzijden Joyce waar hij geen weg mee weet, Joyce, Twain, en ook nog wat uit blootmagazines gescheurde bladzijden, weggemoffeld in bruin inpakpapier. Telkens hij opkijkt van het boek, alles van Joyce gereduceerd tot één volume, wat moeiteloos onder de trenchcoat duikt, drie vingers linkerhand de as tussen is gebeurd is niet gebeurd, om mee te nemen, gratis, Als hij opkijkt van het boek is er blauwe hemel. Genoeg blauw om het als achtergrond aan het moment toe te voegen. De opeenstapeling van wolken maakt dat het samenzit. Een rekensom van glas hoog boven de ramen van het lokaal waar hij vlak bij een van de ramen zit, aan het bureel waar hij sinds 12 september zit, en twee verdiepingen lager, in het parkje, voor zover het met kortgeschoren buxus afgebakende perceel die naam verdient, de blote, door het felle licht aangevreten benen van Hermeline, Hermeline die met een zijwaartse rugslag twee drie meter van de hoofdingang verwijderd op een van de bankjes zit, half in half uit het zonlicht. Ze grijpt in het kartonnen recipiënt, zonder van haar cell-phone op te kijken, vist een lijvig volume uit de doos half uit half in het licht van een verloren dag, wat ze zonder van de cell-phone weg te kijken op haar blote benen etaleert, Essais van Camus, maar opent ze het volume? Ik vraag, opent ze het volume. Juffrouw Werdenfels, registreer deze waarneming. Metafysica, de woorden, die eerste bladzijde. Hermeline, haar blote benen uniform half in half uit het zonlicht, opent het volume, een Gallimard, opent het volume op bladzijde– –Veegt over het schermpje van haar rozepaarsgeaderde cell-phone, voor ze vol in één van twee ligstoelen wegzakt, door Septuaginta voor historisch naslagwerk ter beschikking gesteld straatmeubilair. Slaat het boek open, treft bladzijde 19. De cell-phone geeft uit op het parkje. Onderaan bladzijde 18, (leest) il lui faut une livre de pain, bizar lui un kilo il lui faut! Een boek met of een boek van brood? Bizar. Niet op de hoogte gebracht. Schedelinhoud dichtknopen. Impasse. Alles kan. Moet kunnen. Veegt over het schermpje. Vingert. Zwembadblauwe zee, meeuwen, een zeilboot, een broodzak, socials zitten er vol mee. Terug naar het boek. In het park doet zich een mannetje in grijze trenchcoat voor.

Ze tilt het boek op duim en drie vingertoppen linkerhand, Toch gauw twee kilo, dit boek, misschien tik richting drie. Et vas-y le saucisson, vas-y le camembert. 10s, had Camus een kookprogramma, avant-Perec? Schuift haar linkerhand, na die hand van het gewicht van Camus bevrijd te hebben, in de dijkloof van knie tot broekje. Plek die inderdaad als zodanig benoemd zou kunnen worden, mosharig diertje. Camus belandt op, Haakt beide duimen onder het elastiek van het klassiek witte broekje. Mosachtigen hebben het holoceen veroverd. komt naderbij, haar blik strak op de betegeling en net zo hevig zonder wat anders op te merken het boek in haar linkerhand, Ook die linkerhand. Zonder juffrouw Snik op te merken staart Verdegem naar de leegtes van het licht, een schaduw die wat ogenblikken later in licht verandert, Hermeline die intussen met haar cell-phone bezig is en Verdegem niet herkent. Het dunne gelepel van een klokje. Een van de buren had het welwillend, sussend bijna, over juffrouw Werdenfels gehad, juffrouw Werdenfels die bij zonnig weer plat op haar buik op het gazon in Infinite Jest had zitten lezen, er af en toe een bladzijde uitscheurde en later alle uit het boek gescheurde bladzijden in het riviertje wierp. Zo is het in Frome begonnen, met een opmerking over het parkje. een lineair voorwaartse stapbeweging,

Door de aanhoudende regen is een blauwig grijs, een donkere, obscure blauwte in de straatkeien getrokken. Hermeline concentreert zich op wat de cell-phone biedt, houdt met haar vrije hand het boek op bladzijde 18 19 open, Een meeuw. Noteert ze. Meeuw. Naast het houten bankje, met één poot aan een paaltje vastgeklonken, het bierflesje. Horizontaal, leeg, niet langer met liquide gevuld, kwam terecht waar een hand nog net bij het gras kon. Fellatio met één vinger, zuigt aan die ene vinger die, als ik het goed heb, een ietwat zoute smaak heeft. Zonder naambekendheid tussen stenen uitstekende plukjes groen, geen herderstasje in wording, geen paardenbloemen, hoegenaamd niets dat zich achter het Latijn van Linneaus verstoppen kan, plukjes die het hele seizoen nog voor zich hebben en voldoende aan een bizarre kleinigheid om tot ontkiemen en ontwikkeling te komen, dat ze het volhielden heeft jaren gekost. Van de Essais van Camus, een volume uit Bibliothèque de la Pléiade, pietst ze bladzijde 19 tot en met 45 tussen duim (onder)&(boven) drie van de vingers van haar linkerhand, haalt uit, heeft alles er in 1 keer weg.
Een meeuw. Trage curve over de als een wal boven het parkje uitstekende baksteen. Iemand met  hond aan leiband staart met holle, introverte blik naar het gazon. De hond ontlast zich op wat als gras bekend kwam te staan. De positie van de wijnfles, op een halve meter van het bankje, toont een vergeten, nachtelijk tijdstip, ontkent en bevestigt het tijdstip, En daar is dat mannetje weer. Ze kijkt op van haar cell-phone, herkent Verdegem, Verdegem die dit keer zonder boek in de richting van het kantoorgebouw, zich een ogenblik later met boek en strakke tred in de richting van het brugje introventeert. Een net zo simpel als doeltreffend organigram. A met boek, B zonder.

A is met het boek, waar hij het vandaan gehad had kunnen hebben is onvoldoende bekend, boek of baksteen, het al of niet volumineuze volume klem tussen de vingers van z’n linkerhand, hand die vastzit aan een lamme arm. B zonder boek, de andere kant op. Waarheen onvoldoende bekend. Merkt Hermeline op. Doet niet alsof. Het knikje. Hoffelijk, hoofs, een hond. Hermeline antwoordt met een frivool gebaar, tilt Camus tot smulhoogte, tien vingertoppen tegelijk, wat Verdegem tot nog een knikje noopt. Enkele minuten later zonder het boek, zonder het boek maar alsof het toch tussen de vingers van z’n linkerhand zit, de lamme arm niet opvallend zwieriger of minder zwierig, strak tussen de kortgeschoren aanplant over het betegelde pad tot aan de rivier, strak, introvert, niet om zich heen kijkend, alsof wat hij zich voorgenomen had werkelijk niet wachten kan. Kijk, eerst A, met, en, wat later B, zonder. En Hermeline die weer op haar cell-phone zit. Waar zit ik. 

woensdag 22 juli 2026

29 februari

29 FEBRUARI een donderdag. Eerder die dag een irritante vergadering. Juffrouw Werdenfels uit de kleren. Als zij zich uitkleedt, alles gaat uit, blijkt ze onder het blote lichaam een maatpak aan te hebben. Gênant. Verdegem verlaat het lokaal. Geen bijzonderheden.



In het kantoor is het heen & weer van een dozijn lichamen, van de handen en van de schaduwen die aan die handen vastzitten, van de nekwervels en kniegewrichten, het bedaarde heen & weer van deuren, mobieltjes en meubilair, een archiefkast die geopend, de bureaulade waar ’s ochtends vroeg een debutante plaatsnam die door Van Massenhove afgesloten en meteen daarna toch weer geopend wordt, van de namen, Verdegem, Werdenfels, Snik, en van woorden, grammatica, metonymie, leestekens, zinsconstructies, het ritselen van bladzijden, bladzijden die uit boeken gescheurd worden, kledingstukken die uit-, andere die aangetrokken, instructies die uitgevoerd, andere die over het hoofd gezien werden, van wat aangeraakt, van wat vergeten, van wat tijdens een later moment opeens niet langer belangrijk is. Daar had je Thelma weer en die rare manier van kijken van Thelma. Niet alleen haar rare manier van kijken. Eloquent, flirterig, la bella figura, zelfs als het stormt en ze met alleen dat tasje en wat ringen en juwelen om het lokaal betreedt.

Eind vorige week, een vrijdag. Dat rare gesprek met Hermeline. Geen idee hoe lang ze al voor onze organisatie werkt. Kwam in op telefonie. Een van de telefonistes, correct. Leek talent voor peuteren en snuisteren te hebben, promoveerde. Is gek op socials. Verlies haar even uit het oog en ze is met een smell-phone bezig. Ik aarzel om me hierover uit te spreken. Tijdens het opveren en wegstappen van tafel op het summum van een door een of andere hindernis veroorzaakte heupbeweging het maken van die heupbeweging met je cell-phone aanraken. Delicaat. Heb het niet zo voor dat nekwervelbelastende getik. Hermeline heeft er permanent een verblijf. Wat me om een of andere reden aan een grafsteen doet denken, Maar, wat ik zeggen wou. Hoofdpijn van dat getouwtrek met Murakami, 50 eurocent in de scheurautomaat en dan kijken hoeveel bladzijden je te pakken krijgt, schrappen, schrappen, snijden, scheuren, van alle Murakami’s, vijfenzeventig volumes als ik het goed heb, 1 volume, had Van Massenhove gezegd, daar 1 volume van maken, vijfhonderdduizend bladzijden reduceren tot 1 volume, kortom 1 katerne, tot 1 bladzijde desnoods, ik moest er even tussenuit, kop koffie, de benen strekken. We troffen elkaar aan het koffie-apparaat, vlak bij de doorgang naar het kleinste hoekje,





Hermeline met het blikje frisdrank en een broodje ham kaas, smeerboter kaas of is het hazelnootpasta, eventualiter ook een hoeveelheid met curry op smaak gebracht kippenvlees, broodje waarvan de inhoud zich intussen diep in haar spijsverteringskanaal bevindt, en met die enorme hoeveelheid voedingswaren ook nog een cell-phone, ik een kopje dat zodra het zonder inhoud komt te zitten toch opnieuw bruikbaar is, en het potlood

Ze zegt het op fluistertoon, er is geen papier, zegt ze. Piert naar het schermpje van haar cell-phone. Wat? zeg ik. Zou ze ook oortjes hebben? een haardroger? Er is geen papier, het papier is op, zegt ze.



het potlood dat ik aantrof op een met vetvlekken bevingerd vel papier waarop Thelma DAG LIEVE VRIENDEN KOMEN TERUG! LAAT ALLES NOG EVEN STAAN TOT WE ER ZIJN, DAN KUNNEN WE ER SAMEN OVER PRATEN schreef, KUSJES,



We nemen plaats aan het tafeltje aan de doorgang naar het kleinste hoekje, een potlood naast het kladje, twee kopjes, een kopje met en het kopje zonder plastic koffielepel,

Iemand opent de toiletdeur van binnenuit en daar staat Verdegem, zit nog aan de rits van z’n pantalon te friemelen, Verdegem die zich met zorgvuldige, intussen legendarische aanraking over de vele honderden bladzijden van Joyce ontfermt,

geen verhaallijn, geen ontknoping, Fons, weg met die rommel, weggooien alles wat doet alsof het betekenis is,



recent ook Compromissen aangereikt kreeg,

met Edward Beckett het gebruikelijke drama,

zodat ie uiteindelijk toch eerst wat anders doet,



Er is een doel gesteld, Verdegem, 70 bladzijden, Verdegem, en dat heeft consequenties. Maar, mijnheer Van Massenhove, wat als het een bladzijde meer is . . .

oei oei

ls ’t een bladzijde meer, Verdegem, A.U.B., dan contacteert U eerst en vooral juffrouw Werdenfels. (applaus)

oei oei



Een week of twee terug in de tijd, tijdens het ochtendbulletin, ook weer een vrijdag als ik het goed heb, vernamen we dat het record snelschrijven op naam stond van een Texaanse typiste, Mevr. Pajunas. In het tijdsverloop van 60 seconden had Stella Pajunas op een IBM electric typewriter foutloos 216 toetsen aangetikt.

Thelma nam plaats voor de mechanische schrijfmachine die we hier nog hebben, een Olympia als ik het goed heb, schoof een blanco vel in de machine, wachtte tot de secondewijzer het hoogste punt bereikt had en kopieerde in razendsnel tempo een tekst die Tuytens voorlas, een uit Korrektur van Thomas Bernhard gescheurde bladzijde, hield tegelijk de secondewijzer in de gaten, klokte af op exact 60 seconden, we bestudeerden het resultaat, wat foutloos bleek, telden het aantal toetseenheden, 380. Zeer in haar nopjes met dit wereldrecord, opende juffrouw Werdenfels de fles orange die Erroll zich voor later die dag had aangeschaft, dronk een glaasje, dan nog eentje, nog eentje, en nog eentje, tot ze de fles in wat ook een wereldrecord was tot de bodem geledigd had, en in die hachelijke roes puur voor de lol besloot ze een aanval te wagen op het nieuwe, het weliswaar niet gehomologeerde maar desalniettemin nieuwe wereldrecord. In een toestand van relatief ernstige beschonkenheid nam ze voor de mechanische schrijfmachine plaats, wachtte tot de secondewijzer op twaalf stond en deed nogmaals de tekst waarop ze eerder die dag een score van 380 behaald had, iets van Perec dus of een uit Borges, U excuseert me, die uit Bernhard gescheurde bladzijde, hield de secondewijzer in de gaten, probeerde geen fouten te maken en klokte af, nadat we voor elke fout 10 punten aftrokken, op 310 toetseenheden, een resultaat dat ik om een of andere reden pas echt indrukwekkend vond.



Wat als iemand ontdekt dat juffrouw Werdenfels helemaal niet zo onschuldig is als ze eruitziet? Als die stunt een miljoen bladzijden overbrugt . . . 

Is ze al niet ter dood veroordeeld? wat heet scheuren in het Duits



en als ik vervolgens kijk naar wat vergeten werd, Heb ik iets gezegd? naar wat zich niet langer op het bureaublad bevindt, naar de vele honderden bladzijden in het haardvuur, begint het waden door een nieuwe stroom van dingen,


Chandler Yes, yes, Chandler. Hoeveel bladzijden kan het hebben? 70 bladzijden, juffrouw Snik.

finished with Chandler, Afgelopen à point Afgehandeld. Cheever, juffrouw Snik, u ziet Cheever over het hoofd. Of course, Cheever. Yes, yes, Cheever. Wat doen we met Cheever, mijnheer. 70 bladzijden, juffrouw Snik.

Cheever finished, Then one still has Carver to explore. Carver, Carver, Yes, yes, Carver. Of course, Carver. Yes. Hoeveel bladzijden Carver, mijnheer. 70. 70 bladzijden Carver, juffrouw Snik.



Kletsnatte gelaatstrekken. Hand ondersteunt boek of zit eraan vast. Het enige, zegt ze, als ze klaarkomt, dat hij dan. Het enige, zegt ze, het enige is. Maar dat ga ik niet vertellen. Dat is. Het is te vroeg. Tasten naar het riempje in de vrije val van het andere. Tasten, voelen, loslaten. Voor het aantasten begint.



De chef die in een ternauwernood zichtbare cirkel om zichzelf heen stapt, ergens met een nagel aan de buitenkant van zichzelf vastzit, tegen zichzelf aanplakt. Aan de buitenkant aan zichzelf vastgenageld. Omhulsel. Rups. Stapelt voorschrift op voorschrift, farce op farce, op correctie volgt zo goed als ogenblikkelijk nog een correctie, gekonkel bovenop gekonkel, torenhoog, tot ook Snik en Tuytens er gevangen in zitten. Om te huilen is het.



De klerezooi van wat ik niet verwacht had moeten hebben in je armen dumpen. Kunnen we dit niet elke vrijdag doen?

Hermeline, Dit A.U.B. op een andere manier formuleren. Dat de persoon die zich alles toeëigent,
Moet er nog iets zijn, lieverd, toevallig? daar niets voor in de plaats kreeg.



Ze is vast komen te zitten aan het gezicht van de ander. De blote rug, naakte handen, een gelijkbenige driehoek, haar marble print cell-phone, Waarover hadden we het. Ze bestudeert me alsof ze er van uitgaat dat ik er haar aan herinneren moet dat er geen papier Wat, geen wat? Papier. Het papier is op. De nek maakt de intussen gebruikelijke knikbeweging,



het begint met de cell-phone, met die knikbeweging, de handschoenen, met een zwarte muts,
Alle personen in gesprek. Vocale impro. Waarover ze praten kwijt in het geroezemoes. Het rent alle kanten op. (en dan vang je er enkele) Hoeveel bladzijden, mijnheer. 70, juffrouw Werdenfels, 70 bladzijden.



Een van de stagiaires, na een tussenkomst van de auteur van 3968, die na nodeloos lang nadenken hierover de verkeerde beslissing neemt, dattie 70 bladzijden, om het woord schande niet in de mond te nemen, vandepotgerukt volstrekt totaal onaanvaardbaar vindt.


nog meer onachtzaamheden: trapt tegen stoel, laat deur open staan, grijpt naast titel, bezwijkt onder het hoogtepunt.

Een andere en toch weer dezelfde stroom van dingen, Elke dag is er één uit een reeks van honderd. Tot het er één teveel wordt.

Ze gluurt naar me met dat donkere, vrolijke is-er-wat-lachje, zonder, principieel, het is het principe, zonder van de cell-phone op te kijken. O, wat vervelend, zeg ik. zij Het papier is op. Zou ze me met dat perfide kippenstronttronie aankijken, glimlach tikje hier, tikje daar, als ik voor de grap in m’n nieuwe bermuda naast haar opgedoken was of gekscherend he schatje wat is dat voor troep op je gezicht zeg? of, lieverd, alles goed, ben je een nekwervel kwijt? Geen bermuda. Geen troep. Ronny please, empty your head before thinking. Ik tast in wat toch die bermuda is en reik haar een muntje aan, zij focust op het kopje koffie en terwijl ze daarmee bezig is, op de cell-phone, met haar rug naar me toe, stel ik vast, valt me op, zoals ik al zo vaak had opgemerkt, dat ze dat microgolfoventje waarin ze vandaag rondjekkert toch wel heel erg kort heeft. Anderhalve kilometer boven de knieën.

Er is geen wat? vraag ik. Speculatief. Iets pimpelmeesachtigs plakt aan de vensterruit. Zon. Dikke wolken als beddenlakens in het vaagblauwe uitspansel. Vermijden dat ze met een briljante bedenking op de proppen komt. scheuren in het Duits . . . Reissenspitzengefühl. Bernhard slopen en met de bladzijden die er volgens Van Massenhove nog mee door kunnen een nieuwe bouwen, het druipt van dat perfide cell-phonelachje, Ze verveelt zich. het komt haar kippenstrot uit. Dat ze daar van moeten al minstens meer dan een half uur mee bezig is. Anderhalve kilometer boven haar knieën kon je een sleutel zo omdraaien, maar meestal draaide het de verkeerde kant op. En wat heeft ze geantwoord? Weet ik niet. Er is geen wat, juffrouw Snik. Geen papier? zij (ik zag er werkelijk het nut niet van in om het daar met wie ook over te hebben)

Is de voorraad op? Wat kon ik daaraan doen. Gebruik ik toch niet, zei ik. WAT een gelaatsuitdrukking met detergent van hier tot Vladivostok. Dat smerige lachje, onveranderd, op de cell-phone tikje hier, tikje daar, broedplaats van nalatigheden, niet als zodanig bedoelde of net wel als desgewenst zodanig bedoelde ontbloting van hagelwitte tanden. Schat ik dit fout in? het lachje iets breder dan wat het een ogenblik eerder gaf.



met de cell-phone begint het, met handschoenen, met een zwarte muts, met het schaartje, het kerkhof van uit Murakami gescheurde bladzijden, het Japanse beertje met één oog aan een flinterdun koordje,

De onzichtbare hond. Memel in het foto-album. Iemand die er met zichzelf vandoor gaat. Een met het oplossen hiervan bedreigde verschijningsvorm. Op een zucht van ingeslikt worden. De onder het gordijn vandaan kruipende hond. Zoekt iets. Ze zoekt iets, zegt de zich over de hond ontfermende.

en de muts, een zwarte muts, en
een potlood, en van het schaartje het rode handvat

en op het ruitpapier een bierglas met paarsroze tulpen van Bloemen Yolande omdat het net vandaag juffrouw Werdenfels’ verjaardag is.



Thelma zegt dat ze geen dure dingen koopt. Neerwaartse blik. Slash. De gordijnen dicht.



Wat ze koopt, raakt ze toch kwijt, zegt ze, na verloop van tijd, of laat ze vallen.



Naast een blauwe aansteker kwam de opgerolde gebruiksaanwijzing van een medicament, Temesta/Temesta Expidet,

met als meest opvallende mededeling, 2. Quelles sont les informations à connaître avant de prendre Temesta/Temesta Expidet?

Ne prenez jamais Temesta/Temesta Expedit, In een bokaal ook nog twee potloden, een snijmes & een marker,

en op het scherm van een laptop van het merk Inspiron de titel van een vraagstuk: Is 80 procent van de hedendaagse kunst over 20 jaar onverkoopbaar?



In het zich in een onduidelijke fase van renovatie bevindende bureel is opeens een schaduw voor een van de venstergaten.



Waarom ik nooit papier gebruik, interessant, een goeie vraag,' zeg ik. Snik glimlacht niet, geen antwoord, staart naar het schermpje van de cell-phone, lijkt er ook niet meer over te willen horen, dus we laten het erbij, net zo goeie vrienden, finaliseren het kopje koffie.


Van Massenhove buigt zich over juffrouw Werdenfels, vraagt, waaruit scheur je, vraagt hij. Thelma gaat gedetailleerd in op wat het boek voor haar betekent. Nooit raken ze het eens over wie haar favoriete actrice is.



Ik sluit het hok af, tsjak, een geluid, gluur door het oude ruitje naar de straatgeul en het pas geasfalteerde wegdek, waar het geluid vandaan komt, en zie een hond op de stoep, zwart, groot, harig, en midden het kruispunt een door autobanden platgewalst plastic colaflesje. Ik steek m’n broek af, neem plaats op het kakmeubel, voel de specie zitten, drukken drukken, oempf, het gaat niet in 1 keer, lees iets grappigs in de krant die iemand in het hokje liet, techniek aanpassen, roef, daar gaat ie, lekker, ik veer overeind, tast naar het houdertje en besef dat Hermeline het bij het rechte eind had, het papier is op.



En daar sta ja da,n du,s aan de wegran,d boo.m

zaterdag 18 juli 2026

vraag antwoord

V. Wie is Nikifor Poljotkin.

AI-overzicht

Nikifor Poljotkin is het pseudoniem van een Russischtalige auteur die vooral bekend is van het korte, absurde verhaal De hand die hand werd. Volgens overlevering verscheen het in de vroege twintigste eeuw in een lokaal blaadje in Odessa, een krantje waar de bekende schrijver Konstantin Paustovski redacteur zou zijn geweest.

Het werk is in het Nederlands vertaald onder de titel De hand die hand werd (oorspronkelijk de hond die hond werd in de Odessa-publicatie), en werd ondermeer in 2014 opgenomen in het literair tijdschrift of de publicatie-reeks Blakte.

De schrijver wordt in literaire kringen vaak in één adem genoemd met andere modernistisch-absurdistische of dadaïstische schrijvers uit die periode, al blijft de ware identiteit achter het pseudoniem gehuld in anekdoten en mysterie.

Wil je meer weten over specifieke publicaties waarin dit werk is verschenen, of ben je op zoek naar vergelijkbare absurdistische en avant-gardistische schrijvers uit het vroege 20e-eeuwe Rusland? Laat het me gerust weten!

V. Is de Russische dissident Nirlov Tuba in werkelijkheid een hond.

AI-overzicht

Je zoekbewerking -Is de Russische dissident Nirlov Tuba in werkelijkheid een hond- heeft geen overeenkomstige documenten opgeleverd.

Suggesties:

. Zorg ervoor dat alle woorden goed gespeld zijn.
. Probeer andere zoektermen.

donderdag 16 juli 2026

de verzameling

Hij luistert buitengewoon aandachtig naar me. Dat ik niets te vertellen heb, geen dingen waar een boekenverzamelaar wat aan gehad had kunnen hebben, weerhoudt hem er niet van om op een bijna kinderlijke manier te informeren naar m’n kwaaltjes, maar trek dan toch je mantel uit en ik als de mantel uit heb ‘je stinkt’ te zeggen, daar absoluut zonder zich te gêneren ‘grapje’ aan toevoegt, grapje grapje, om vervolgens de situatie nog erger te maken door vriendelijk op te merken je gulp staat open, oei, zeg ik, ik kijk geschrokken naar het kruis van m’n broek, daar staat natuurlijk niets niemandal open, bijna triomfeer ik maar hij is me voor, merkt op dat ik stink, en niet zo’n beetje, hij zegt het vriendelijk alsof het hem geen donder uitmaakt of het een geur van tabak, zaad, urine of koeiendrek is. Ik kijk naar het plafond, verman me, zeg dat ik net uit bad kom. Nee het zijn je kleren die stinken zegt hij. Wanneer heb je die mantel voor het laatst laten stomen. Jongen, je ziet er niet uit. Geen boeken aanraken A.U.B. Zal ik een kop thee voor je? Wat heb je gegeten vandaag. Straks zakt dat rotding tot je knieën. Waarbij hij over het hoofd ziet dat de gretigheid die hij aan de dag legt me ergert, en wel op zo’n manier dat ik overweeg om exact zoals zijn etiquette het voorschrijft op het vloerkleed te kotsen of op te stappen, bruusk, zonder uit te leggen waarom ik opeens wat anders te doen heb.
Het irriteert me bovendien dat hij over het hoofd ziet om me te vragen hoe het met Oek zit. Dat hij alles slikt wat ik zeg en daarboven ook nog eens m’n sentimentele praatjes interessant lijkt te vinden, gêneert me.



Een bijkomend gegeven, waarvan ik niet weet of het lachwekkend of om te kotsen is, is dat hij, mijn altijd net zo erudiete als betweterige gespreksbolide, maar liefst vijf edities van Les choses van Georges Perec heeft, wat ongeacht het geciviliseerde kader en of dat kader een reukje heeft of niet, sentimenteel is. Alsof het hem voorts eigenlijk geen zak uitmaakt, geeft hij bovendien toe, als ik hem vraag wat hij zo al van Perec gelezen heeft, dat hij van Perec niets maar dus werkelijk niets las, nada, geen bladzijde, effectief, nul de botten, niet eens een eerste zin.

Niet eens de eerste bladzijde van Espèces d’espaces? vraag ik onthutst. Dat had hij zich in geen driehonderdvijftigduizend jaar kunnen herinneren.

Vijf edities van Les choses van Geoges Perec heeft hij, hij kan zo uit het blote hoofd opnoemen welke. De eerste editie uit 1965, die van Julliard, wat hij benadrukt, zowel van La vie mode d’emploi als van Les choses heb ik een eerste editie. Van Les choses ook nog een herdruk uit 1977, een herdruk uit 1984, en naar zijn altijd veel te bescheiden oordeel bovendien een uitzonderlijk fraai exemplaar uitgebracht in de reeks dix dixhuit, een halve eeuwigheid zit hij over het jaartal van deze editie te disselen tot hij vertwijfeld om zich heen kijkt en alleen maar concluderen kan, terwijl hij een tweede fles Douro aanboort, godverdomme, dat hij ’t vergeten is. En die vijfde dan, vraag ik. Ach, daar is niets bijzonder mee, een vertaling, het jaartal zou hij niet weten, wel, wat me intussen geenszins verbaast, dat het boek een schilderij van Nicolas de Staël op de cover heeft. En dit exemplaar wel, zeg ik. Neeeeeeh, zegt ie, alsof het er wat hem betreft al niet meer toe doet.



Goed. Het zij zo. Ik weet ook alleen maar dat het begin van alles in een klein hoekje zit, dat het adres en de naam van de geadresseerde al genegeerd kunnen worden voor het handschrift zich als pertinent potsierlijk voordoet en dat hij wellicht om die reden modern en gevoelloos is. Zelfkritiek, had mijn gesprekspartner ongetwijfeld opgemerkt kunnen hebben, is voor slappelingen. Da’s evident.

Een dichter en edelman, zeg ik, omdat het me opeens te binnen schiet, terwijl hij strak voor zich uit naar het etiket van de Douro zit te staren en wat ik zeg om een onverklaarbare reden negeert, zei ooit dat sentiment zonder rede is. Ik bedoel, zeg ik, het is onvollediger dan energie is gelijk aan snelheid zwaartekracht parkeermeter peer, onvollediger dan de wetten van een rotte appel. En dan gebeurt het. Hij veert overeind, extatisch. 1989! roept hij. Het jaartal. Dolkomische triomf! Het jaartal! Hij herinnert zich het jaartal. De dix dixhuit van Les choses, glundert hij, overigens zonder het minste spoor van zelfingenomenheid, werd legaal gedeponeerd in 1985 en wat hij heeft is een herdruk daarvan.



Leopold, merkt de aardappelschillende onderbuur op, Leopold, die van het bureau, is van Wetteren. Van Wetteren, zeg ik verbaasd. Van Wetteren, zegt ze. Ik neem plaats aan de kleine, houten tafel in het souterrain. Ze heeft vette wangen, Hermeline, die als ik het goed haar hele leven lang bij Septuaginta is blijven werken, en mondhoeken die bijna tot haar kin reiken. Van Wetteren, mekkert ze. Maar, zeg ik, in Congo geboren toch, zeg ik. Ze bekijkt me, probeert uit te zoeken hoe het komt dat ik dingen weet. In Congo, bevestigt ze. Ze plukt een aardappel uit de pieperkorf en schilt de patat zonder er naar om te kijken. In Kinshasa, zeg ik. Regen zeikt over de ruit tussen het souterrain en het zich onder straatniveau bevindende hoekje waar tot gisteravond een dode duif waargenomen kon worden. Als het maar stinkt, zegt ze. Wat ze hiermee zou bedoelen weet ik niet. Lange aardappelschillen rollen uit het mesje en ik herinner me hoe het me plezierde om een aardappel inderdaad zo te schillen dat het één schil bleef. Leopold, zegt ze, houdt van rotte appels. Van rotte appels, zeg ik verbaasd. Ze bekijkt me. De manier waarop ze telkens weer met het mesje, dat er duizenden en nog eens duizenden geschild moet hebben, over de meteen daarna naakte huid van de aardappel schuift, fascineert me. In het kamertje zijn geen boeken, alleen een streekjournaal dat zich onder de schillen bevindt.


Het begon toen ik na het gesprek met de benedenbuur, die twee honden heeft en een bedlegerige tante die in een hok achterin het huis opgebaard ligt in een stank van lijfgeur en drek, een graatmager, benig oudje, de trap naar de zolderkamer nam, vastbesloten om niet te bezwijken voor ik de bovenste trede bereikt had, en halverwege de trap uitgeput op een van de treden plaatsnam, verpulverd door de hitte, niet eens in staat om te bedenken hoe ik de schoenveters losknopen moest. Hijgend en met een lamme rug zat ik tussen de spijlen van de trapleuning naar een vlek te kijken. Een waanvoorstelling deed zich voor. In het trappenhuis had ik een muts aangetroffen. Ik bekeek de muts. De herinnerde muts werd grappig, alsof Barthes erover uitgegleden was. De muts had weinig tot niets seksueels, hoogstens het idee dat Barthes er over uitgegleden was en z’n nek gebroken had, helemaal in de stijl van enkele van de relaties die hij had gehad. Was de muts het onderwerp van iemand die een muts zonder die muts nooit als zodanig geformuleerd zou hebben? Alleen het omgekeerde beviel me, dat ik in staat bleek om zonder ander aandachtspunt naar de muts te kijken. Terwijl ik uitgeput en hijgend naar de vlek zat te kijken, die een contour had die op die van Banaba leek, hoorde ik een gebeuk dat uit het souterrain kwam, een gestamp dat niet luider werd dan het geluid van een zak die tegen een muur onderin het huis kwakte. Als een mot kwam juffrouw Werdenfels aangefladderd, scenes uit High Window, een fragment uit Echenoz, die effectief naast me was komen zitten en me op enkele markante bijzonderheden in het traphuislandschap wees. Eerst en vooral was er natuurlijk het stripverhaal. Hij vroeg of ik het hiermee eens was. Het stripverhaal en het kruiswoordraadsel, zag ik, vaag naar de vlek kijkend die ik eigenlijk al vergeten was, hadden Hermeline en Echenoz tot een zich naast de latrine bevindende sudoku-puzzel herleid. Het gebeuk in het souterrain, met een blauwdrukje van andere, minder hoorbare stemmen, van geluid, besefte ik, dat een radio maar ook het gillende geblaf van een dame of het gesnorkel van een laatavondprogramma kon zijn, waar ik me nu eenmaal niet druk over te maken had.

Ik kroop naar de tussenverdieping, stak m'n broek af en ontlastte me. Drek de facto is een product waar geen mens zich druk om maakt. Net Leopold had gezegd dat een op wat anders dan drek gebaseerde samenleving onmogelijk is.

Als hij me maar niet lastig viel met praatjes over de boeken die hij jatte, over de absurditeit van een zo omvangrijke bibliotheek dat niemand al die werken een voor een gelezen had kunnen hebben.


Pessoa merkte op dat we ons hoogstens aanpassen aan iets wat er al is. In het onmogelijke bedrijven we het ontbreken van geluk en het absurde genot van het zich aanpassen aan dat gebrek.

woensdag 15 juli 2026

aanpak

Open het boek op de laatste bladzijde van de met aantallen gecodeerde paginering.

Het boek telt 1079 bladzijden. Met de blanco achterkant van bladzijde 1079 extra 1080 bladzijden.
 Scheur de laatste bladzijde in geen geval uit het boek.

Open het boek op de eerste bladzijde van de met aantallen gecodeerde paginering. Wat staat er? Bladzijde 3.

Scheur de eerste bladzijde in geen geval uit het boek.

Ga als volgt te werk. 1080 minus 2 voorin geeft 1078 bladzijden. De helft daarvan is 539 bladzijden.
 Open het boek op bladzijde 539 en scheur het in twee gelijke stukken.



Hermeline tilt het volumineuze werk, een herdruk van Infinite Jest, Abacus 2026, zeven betekenisloze vellen voorin, vijf betekenisloze vellen achterin, tilt het op het blote achterwerk van juffrouw Werdenfels, de bilnaad van juffrouw Werdenfels min of meer equaliter aan de kneep van het forse volume, 1080 bladzijden, 5cm, raakt heel even, 10cm onder de kneep van het boek, de aarsopening, 10cm daaronder, onbedoeld meen ik maar niet zonder gevolg, het die ochtend met shampoo van ezelmelk gefloste rosse schaamhaar van juffrouw Werdenfels aan, traag, ogenschijnlijk zonder aandacht voor het zich onder de openliggende bladzijden van Infinite Jest net door die aanraking verblijdende geslacht, herseninhoud plusminus 80cm van de getroffen regio verwijderd, juffrouw Werdenfels die overigens meteen al wat speeksel weg te slikken heeft terwijl Hermeline zich met zorgvuldig afgewogen achteloosheid over het op juffrouw Werdenfels uitgestalde boek ontfermt, hyperacuut, een hachelijke onderneming aangezien alles wat bij juffrouw Werdenfels los zit, of hangt, met voorlopig nog temende expressie in beweging komt,

het slachtrijpe volume opent op bladzijde 538, bovenaan die bladzijde, raakt ze met onbedachte symmetrie van dualis wijsvinger duim aan wat ze op haar neus aantreft, leest, say? Why not take the suggestion to say No? Why come in here? Did I come, bovenaan bladzijde 539, and an engine so bored-out for heavy-breathing speed it’s a, denkt hier heel even over na, a what? leest, nogmaals, a small miracle, tilt haar blik boven het boek en het blote lichaam van juffrouw Werdenfels, besluiteloos, alsof ze niet langer weet wat ze met het boek aanvangen moet, is wat de retina registreert inkt, blote huid, papier, marges, paginering, beharing, boven en onder van hetzelfde object, zich half bewust van het feit dat ze praktisch gesproken geen tijd verspillen moet aan dit soort overwegingen, geen verdachte beweging, het volstaat om de bouwplannen van haar broodheer nogmaals zorgvuldig door te nemen voor andere deskundigen zich over de geplande verbouwing ontfermen, Scheur de eerste bladzijde in geen geval uit het boek, Scheur de laatste bladzijde in geen geval uit het boek, ruk het uiteen in twee gelijke stukken, Om te beginnen. Met een zich in haar blik uitstrekkende traagheid, juffrouw Werdenfels ronkt, het rosse haar gonst, licht als goud op onder de kneep van het vermaledijde boek, waardoor het registreren van de noodzakelijke handelingen automatisch afremt, er doen zich samenvloeiingen voor, genotzuchtig buigt Hermeline zich over het openliggende boek, say? Why not take the suggestion to say, Why not take that suggestion, haalt het boek, onderaan voelt het glad en vochtig aan, naar zich toe en rukt het in twee gelijke stukken. Kijken naar het rosse haar en de curves van juffrouw Werdenfels, tot toch weer een net iets dikkere golf over haar heen tuimelt, dikker, onstuimiger dan de veronderstelde golf, net iets gretiger dan die eerste golf, net een tik wijder spoelt het over de blanke huid van juffrouw Werdenfels, Nu Hermeline eindelijk beide helften van het boek voor zich heeft, vasthoudt, met beide handen vasthoudt, en met het gehavende exemplaar meer dan wat Infinite Jest te bieden had.



op de achterflap om te beginnen

zaterdag 11 juli 2026

the thing

He had been staring at that idiot dog for a couple of hours, its genitals and socials right in front of him. The whole thing stank as folly from a refugee squad. Fed up with that vacuum cleaner in his head. Couldn’t remember Rock Hill. Had been there. It had a dog and it had grandchildren, the dog familiar with names such as Ron and/or Leopold. Some said Rudi. Swift a character. Different from Barky. He felt it had something, to be that dog. Scotty, Barky, or whatever name it went. Whatever it was, he couldn’t resist the urge to make it happen. What did she want from him anyway. I’ve always been that dog, Daisy. As old and stupid as that dog too. Barky. Some said Rudi. Are you aware of that, honey? The wife often spent days on the coastside, near San Diego. Took the vacuum cleaner with her. Why exactly. No use for a vacuum cleaner around there. Barky used to have a lot of hair. Much too hairy, Harry, she joked. What you want from me. You say Herb is hairy and he ain’t. He’s much too old for that. Daisy Daisy Daisy. Herb touched his penis with the screen of a cell-phone, then back to socials, making it sort of a vacuum cleaner experience, haw haw haw. Reached for one of the bottles. Couldn’t reach it. From the very beginning all the booz had to be right there, on that stupid table. He couldn’t figure out why it wasn’t. Exactly as it had been with Daisy, from the very beginning. Of course she knew. Couldn’t pretend she didn’t. Of course. Sure. She knew. Give her one of those doggish grins, Barky. Rudi. Whatever urge it is, go, go for it. Done it on the carpet! Barky done it again! Done it on the carpet! Met her face on his socials and said, This feels very comfortable, he said, adding some soft smile. He made a somehow vacant gesture and reached for the bottle, found it empty. For a second or seven he stared at the bottle. Tried to get to his feet. Then found the thing. Next to the dresser it was. Now watch me climb that window, he thought. He kneeled next to the precious thing, redirected his cell-phone, took a picture, as Daisy had done with fairly any of her dishes. And ate it. No allowance to forget whodunit. The whole damn house made for it. And so he did, his feet firmly rooted upside down.



For more than eight hours he had been sitting in front of that stupid dog, his penis left-, his socials right-hand. The corpse hadn’t made a single sound. Apart from the smell not much of anything else could be noticed.

The vacuum in which he sat had first reached to Rock Hill, it had touched Beatty Park, where only a few days earlier a dog had been killed. Rudi. Leopold. Or Barky. Or whatever other character it may have been. Sure enough Leopold, Scotty or Barky, had been a dog soon after his longing to become one.

He's always been that dog, Daisy, you know about that. Daisy had been living near San Diego for a couple of years. Took the vacuum cleaner with her. Never came back. So Herb told her,
He’s always been that dog, Daisy.

He touched the screen of his cell-phone and reached for one the bottles on a table nearby, couldn’t reach the half emptied thing. Exactly how it first had felt with Daisy.

He saw Daisy knew something, and she wouldn't tell it even if they knocked on the frontdoor and asked her for it. Rudi had done it on the carpet, as he had done so often before, Rudi had done it on the carpet, and Daisy knew about that.

Herb sat looking at his socials with just some few inches more of a doggish, sardonic smile. Rock Hill.
The vacuum cleaner in his head had reached as far as Rock Hill, ten miles south, but, then, gradually, it may have lost that vibrance to be out there.

Soon enough the complete house had been filled with it. The smell it had.

No more talk on Rudi, please.

Herb made a large gesture, tried to reach the bottle. He finally got it. For a second or seven he stared at the bottle. Empty it was. Rudi, goddammit.

After that he again stared at the black hole in front of him. He tried to get up. Something like a pair of stockings lay on the floor. It lay next to the dresser. Couldn’t remember what use a pair of white stockings could have had. He expected rain to ring at the window. The whole goddamn house had to be cleaned and he knew he wasn't able to do it. Sat down again. Stared at the ceiling.



The idiot had more than just your slim posture, or penis, Barky, he had your socials, your background, your bankaccount, and a vacuum cleaner inside your head. Anything stolen won’t rot and it doesn’t stink. His whereabouts have Rock Hill and Beatty Park, sweat nice little daisies, and the dogs are good. Oldschool. Leonid von Barky, Boxtrot.

Rudi had different shapes. Always into something. The classic issues. Daisy sent to San Diego for a couple of years. Did you hear that? Daisy, did you hear that? All of it nicely put together with a string and fabrics. Didn’t see much of anything. Rudi is a case, I said. The case, Herb joked. And such a great dog. When he brought me that bottle. Such a great dog. But it was bit of a challenge for us, was it. Such a great dog. Drank half of the bottle. Daisy, you listen. Such a great dog. Bullfighter, eh Rudi, bullfighter, that’s something too, bullfighter. I didn’t buy that bottle, Daisy, to have only half of it in front of me. Make it two pieces and a half.
 I knew the thing she knew. She didn’t. There’s no cure for that. Rudi, such a great dog.

Quite hairy too. Eh, Rudi.

Don’t care too much about that socials, Rudi. Meet sarcasm with a doggish grin. Thirty seven, remember. The material. A million sod of copies. My opinion. Lost. History. Herb tea. No more guilty as dog when he bought his case. Half a minute of sewing and all of it finished, a bouquet of thousands of empty pages. Hey, Rudi, damn fool, This dark brown juice, what kind of thing is it, guess. Don’t drink all of it. And what’s the hat for, I ask. And imagine what Rudi says, I knew I never had to see that thing. he says. It only had influence on what never was.

maandag 22 juni 2026

mailart expo cafe contraire

Café Contraire, Baudelostraat 3.
SP-van, mailart, Red Series. Nog tot 31 augustus 2026.

zaterdag 20 juni 2026

zondag 7 juni 2026

conversations

boven : kevin vergult
onder : nava as

boven . onder : spencer bogaert
belgacomgebouw, brutalistische architectuur uit 1976, staat bekend als het lelijkste en was meer dan waarschijnlijk een van de mooiste en meest interessante architecturale constructies in de Gentse binnenstad, gefilmd 1 dag voor het afgebroken werd

boven : kevin vergult
onder : filthybrunette93

dinsdag 2 juni 2026

donderdag 28 mei 2026

x

krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr
krr krr krr ik ga de laatste geven krr krr krr