l'heure : sept heures du soir
la date : 15 mai 1973
le temps : beau fixe
Noter ce que l'on voit. Ce qui se passe de notable. Sait-on voir ce qui est notable? Y a-t-il quelque chose qui nous frappe?
Rien ne nous frappe. Nous ne savons pas voir.
Georges Perec, Espèces d'espaces
Geen tram. Schrappen van, de olifant, het resusaapje, wolkenkrabbers, blauwe hemel, Georges Perec. Geen antilopes. Een grappig busje. Babbelende meisjes. Weinig animo in en aan het met graffiti bekladde frietkot. Een stadsduif waagt zich tot vlak bij het terras. Voorbijgangers van en naar het station. Een fietser. Met valhelm. Naakte benen. Bomen. Wat zijn ze groot geworden, die benen. Besluiteloosheid. Er zijn best wat bejaarden in omloop. Ik vergat de locatie mee te delen, een terras op wandelafstand van het Sint-Pietersstation, en het tijdstip, namiddag, halfdrie. Bewolkt. En wat zijn ze groen intussen, die bomen. Een passante met een koffertje op wielen. Smartfoont. Nog meer van dat ik doe maar iets gedoe. Eén van de meisjes (zitten naast me, belendend tafeltje ter linkerzijde), één van de meisjes zegt: Dit is echt traumatizing, zegt ze. 'Doe met deze informatie wat je wil, maar, Een feestelijk uitgedoste dame, vogue-type, bijna looppas, in een hurry, smartfoont. Iemand met een loopneus zit achter haar aan. Fietsers. 'Iets,' zegt een van de meisjes, 'iets wat er niet was . . ., en het gebeurt.' Man met wandelstok, blauwe regenjas, stapvoets, kijkt om naar de vitrines van een boekhandel, een fluwelen pantalon kleur donker notenhout. Personen zonder haast te maken op weg naar het station. Een groepje bejaarden. Van fiets stappende blondine met witte headphone. Een half opengemaakte banaan. Koffie. Jonge vrouw met bekertje. De dame die een banaan oppeuzelde, kijkt heel even naar me om. Iemand neemt in een hurry plaats op de stoel ter rechterzijde, en haalt meteen een smartphone boven. Aan de overzijde van het wegdek een fietser met een gitaar op z'n rug. Iemand in een rolstoel. Stadwaarts een geelgroene paraplu. Tot achterwerk reikende dreadlocks, massief als een stronk. Doorstappen omdat je met een tijdstip zit. Een koelwagen. Een zwaarlijvige dame, stevige fiets, rode, bolle wangen, valhelm. Of zonder tijdstip. Op automatische piloot. Een autocar met het opschrift: Reizen met liefde voor uw wereld. Blijf dan thuis. Godverdomme. De hand van je partner aanraken. Je met een schommelende doos uit de voeten maken. Gearmd richting stationsplein over het voetpad stappen. Het gepuf van een lijnbus. De meisjes hebben het over vrouwonvriendelijke uitspraken. Drie zwarten. Bewolkte hemel. Headphones. Een ietwat breed uitgevallen manspersoon, blauwe pet, korte mantel, rode kop, luidkeels: 'Hallo -! Hallo -! Comment ça va, les petits enculés, enculés de merde -!' Staat met z'n armen te zwaaien. Geen reactie. Richt zich tot iedereen op en naast het terras, herhaalt wat hij te zeggen had, iedereen en tegelijk niemand in het bijzonder, en dan nog een keer, tot hij zich opeens midden een groep scholieren bevindt. Een sliert scholieren. Ze vinden het voorval best amusant. Nog meer scholieren, meisjes, tieners in uniform. Zakdoekje leggen, niemand zeggen. Dames van ontwikkelde leeftijd in beige kostuums. Drie jongens en daarvan twee, bloedserieus, met een donkerrode roos in een speciaal voor die donkerrode roos ontworpen verpakking. Iemand met een bokaal appelmoes. Vlakbij het raam van een kamer op de derde verdieping van een gebouw aan de verste overzijde van het wegdek een fluogele regenjekker.
dinsdag 5 mei 2026
5.5
maandag 4 mei 2026
4.5
Travaux pratiques.
Observer la rue, de temps en temps, peut-être avec un souci un peu systématique.
S'appliquer. Prendre son temps.
Noter le lieu : la terrasse ( )
Georges Perec, Espèces d'espaces
het terras van een café vlakbij de sint-michielshelling
het tijdstip : halfzeven, avond
Dame met hoedje (Jamaica? Congo? Mozambique? Brooklyn? Ghana?) een rieten zomerhoedje, rond rond rond.
Valhelm op scooter. Valhelm met personeel. Een blasfemisch blauwe auto met random nietsnut aan het stuur. Zwarte hand- en schoudertassen, smartphones.
Over straat wandelen (lopen? stappen? stromen?) zonder aandacht voor wat anders dan die smartphone.
Je rechterhand op anderhalve decimeter onder het verchroomde handvat van een paraplu. Schommelen.
De zwarte bolleboos op een zwarte fiets. Reistassen op wieltjes.
Twee uitgemergelde jappen, naar adem happend, gedisciplineerd, met smartphone, half tussen staan en zitten over het voetpad strompelend. strom. pe. len.
Geen onderbroeken.
2 trams, de tram links- en de tram rechtsop.
Iemand met een stadsplannetje waarop, vanop afstand waargenomen, helemaal niets te zien is. Het blanco. De eerste en laatste van alle beschikbare ruimtes.
Toeristen in een, ik tel, in een lang uitgerokken, zich sleepvoetend voortbewegende karavaan. Met z'n achtentwintig zijn ze.
De formule-1-fiets. Een vergissing van die Martinelli. Snelheid is voor booswichten. De traag uitgevoerde is vaak een meer aangename verplaatsing.
Twee jonge zwarten, een vrolijke in sportieve en eigentijdse feestdis uitgedoste jongen, en een corpulent, sleepvoetend meisje.
Met bedrading: een catwalkdame. Oortjes. Robotica. Nog zo iemand. Een bekertje met koffie, cola of thee, een smartphone, de rugzak.
Wat een boek had kunnen zijn, een boek godverdomme, is de reisgids.
Koptelefoongeneratie. Op beide oortjes in een parallelle wereld. Als ik om me heen kijk, en waar ik ook kijk: parallelle werelden.
Een lange, magere (uitgemergelde?) punk. Zestiger. Witte haardos, zwarte kleding, stevig doorstappend.
Iemand met een bekertje gif van McDonalds. Uiteenvallen.
Drie jankende honden stormen in razende vaart over de Sint-Michielshelling richting Poel.
Een camionette draait de Sint-Michielshelling op. Pierino houdt het voor bekeken. De auto heeft een rosharige jongedame aan het stuur.
Smartphone-aapjes. Vier poten, een pet, soms een beetje een domme kop, geen staart, hersenloos. Wat de smartphone verklaart, die ze dus echt wel nodig hebben.
Smartphone altijd bij de hand? Ja mijnheer. Goed zo, meisje. Je zou wat kunnen missen. Het heertje dalend dat bijna tegen je aanbotst.
Rode hakken, blote enkels, elegante slowmotion catwalk.
uiteenvallen. Het is niet duidelijk of de hemel bewolkt is of gewoon simpelweg grijs. Een tik tegen de hersenpan en hop, blauwe hemel.
12b gaat naar Oostakker Dorp.
Iemand, een man in sportief modieuze outfit, vijftiger, kleurrijk schoeisel, neemt een foto. Een foto van, Van de bushalte. Het terras, een uithoek, de fietsen die zich aan de achterkant van de bushalte bevinden, een kerk, een fastfoodkeet.
Iemand met een roodpaarse hoofddoek. Egyptian violet.
Mobiele straatvegerij.
Lijnbus 11 in oostelijke, 10 in westelijke richting. Het hondje. 2 witte, 2 zwarte pootjes.
Lijnbus 10 in oostelijke, 11 in westelijke richting.
Wandelen. Halt houden. Om je heen kijken. De smartphone niet uit het oog verliezen. Over een steile stoeprand stappen.
zaterdag 2 mei 2026
2.5
En dan gaat het dus toch regenen, hoewel de autoriteiten het verboden hebben.
Wat de waterhoenen, grootgrondbezitters van het stroomgebied, niet beheren, waar ze evenmin aandacht voor hebben, is de reflecties op het water. Die zijn van niemand. Iets op de grens van het is er en het is er niet. Geen volume. Niets moleculair.
Iemand die uren aan een stuk, dagen naeen, wekenlang, alleen maar over zichzelf praat, is daar een woord voor?
De waterhoenen hebben, meen ik, een gezellig optrekje verworven. Spotgoedkoop.
Hoog boven het gesteente vliegt een meeuw dwars door de huisraad.
Toerisme, een bootje herleid tot een schuit propvol bezienswaardigheden. Het zit inderdaad ook de hele tijd door zichzelf te fotograferen.
Stel je het volgende voor: een vrouw van wie alleen de tieten echt zijn, al het overige fake. Zoals de dodo die ze in het Afrikamuseum hadden.
'Ik heb wel een geschiedenis met haar,' geeft de veelprater toe, na vijf dagen aan een stuk door alleen maar over zichzelf gepraat te hebben.
Later, diezelfde avond, begon hij toch weer over zichzelf, zonder te weten waarover hij het had.
En dan gaat het dus toch regenen.
donderdag 30 april 2026
dinsdag 28 april 2026
28.4
Nee nee nee, niet van mijn nagels, zegt ze.
Een hamer.
Vijf tellen. Een tot vijf. Dan een korte pauze en daarna nog twee tellen, zachter.
Het geluid van een boormachine.
Van een auto.
Opnieuw die boormachine. Een hamer, zachter. Het aantal slagen varieert. Soms tien dozijn na elkaar. Tempo. Strak. Loeiharde muur. Stemmen, ver, in een Dante-achtige diepte.
Weer die boormachine. Gehamer. Het houdt niet op. De stemmen. Het fluiten van één of van meerdere vogels.
En die boormachine. Het geloei van een combi. Dan, bijna alsof het hier aan tafel gebeurt, iets als het geluid van een schaar. Weer die stemmen en het gebrom van een motor. Iemand verplaatst een stoel
Het fluiten van één of van meerdere vogels.
Die boormachine weer. Luid. Dichtbij. En nog een boormachine, verweg maar net zo luid, als een echo van de boormachine dichtbij.
Iemand tast in een doosje waarin zich spijkers zouden bevinden. Of pluggen misschien. Wrijft met de blote hand over een voorwerp. Vogels. De duiven op het dak. Gefluit van één of van meerdere vogels.
Dan weer dat elektrische gezeur. Wind.
zondag 26 april 2026
kamer
In de kamer op het eerste, overkant straat, is licht, gelig licht. Vlak bij de ruit schaduwen van voorwerpen die zich op het raamkozijn bevinden. maar in de kamer, partieel zichtbaar, niemand. Geen andere schaduwen. Geen beweging.
De jongen zegt, Ik ben gebaseerd op Caravaggio.
Dit geeft nieuwe inzichten. Probeer je iemand voor te stellen die in gedachten verzonken naar z'n smartphone zit te staren.
Naar schaduwen van voorwerpen op het raamkozijn.
Aan de tafel in die andere kamer, die in essentie niet afwijkt van de tafel waaraan ik zit, komt het gesprek op Caravaggio. De jongens werken aan een script. Vragen zich af of ze iemand in een auto of iemand op een brommer willen.
Moet er iets gezegd worden, vragen ze zich af.
x
Probeer het eens.
- Wat . . . ?
Ik ben je product.
- (lacht)
Is dat te verdedigen?
Serieus.
Na x aantal immateriële affecties val je door de mand.
Ik . . .
Dan kom je naast me zitten en je trekt aan het touwtje.
- Ik heb geen zin om dat te doen.
Hoe krijgen we 't voor elkaar dat je het wel ziet zitten. Gewoon dit,
punt
dat je het wel ziet zitten. Is er een methode om . . .
- Luister je nou even?
Hoe is het met ons kind.
- Ik heb het niet standaard.
Ga je tegen de werkelijkheid in? Jammer. Jammer. Vind ik jammer.
- Ze zijn heel erg moeilijk te maken.
Dat is helemaal niet . . . O . . . Kijk eens . . .
Daar is die persoon die in het landschap liep.
zaterdag 25 april 2026
big man
Big man puts a cup of coffee on the table.
Very careful.
Not to spoil any of it on the table.
Very very careful.
Big man has a smartphone.
As most people do.
Careful. Careful.
Studies the screen of the thing he got in his big leftfoot.
Enlightment.
He gets to the cup of coffee.
Takes it with his big left hand. As big as the other. Touches the screen of the thing.
Takes it with swift, delicate touches.
A woman enters the room.
Apart from her skin and hair she's entirely black.
The big guy gets up. They touch and kiss each other, walk out.
A young man, the man without a name, reads a book.
Some time ago, a couple of days ago, I watched him in a local art house telling stories to people in front of one of the paintings.
A black man in slick trousers enters, white socks, heavy shoes, his smart as a gun righthanded, and orders a beer.
Later he sits in front of a silver-topped laptop.
The girl with nice little red shoes shifts her mouth to a more or less identical color. Unknown, nameless people walk on both sides of the abyss.
Somewhere halfway the intersection nothing happens. Two people look at each other and keep on walking.
At the bottom of an uncertain moment.
One more laptop poops up.
I take to the newspaper. The blue fades. A street in delicate nightware.
zaterdag 18 april 2026
x
Vraag. Moet ge nog iets hebben?
Antwoord. Een oorvijg, papa.
Antwoord. Oké. Goed. (zucht) Ik zal u een oorvijg geven.
Niet aanraken! Opeten. Alles opeten. Moment moment. Eerst groepsfoto. Niets aanraken. Alles opeten.
Er geen zin in hebben en het toch doen. Lach, schelvis, lach. Niet zo behoedzaam, jongen. Iets bedenken, bijvoorbeeld : iets waar ge aan twijfelt, maar niet preciseren wat het is. Doen alsof het niet bestaat. Niet met zekerheid kunnen zeggen wat het is.
Vraag. Maar ge zijt gij toch gedoctoreerd.
Antwoord. Op drek, papa.
Vraag. Op wat?
Antwoord. Op drek, papa.
Ze zijn met z'n tweeën, de persoon zichtbaar en de persoon niet gezien.
Met z'n tweeën zijn ze, de persoon onaantastbaar en de persoon kapot.
Zo alomtegenwoordig zichtbaar en samen dat niemand het ziet.
woensdag 15 april 2026
i cant (remember)
I often couldn't remember the name of the Frenchman who ate an airplane.
Now I can't forget it.
dinsdag 14 april 2026
14 april
'I must make myself correct Gibbon & send today,' noteert Woolf in haar dagboek op 14 april 1937.
Het staat in het vijfde volume (The Diary of Virginia Woolf, Volume 5, Penguin Books, 1984) op bladzijde 79.
'But after those months of correction, correction almost makes me cry out in agony,' schrijft ze. Als ik niet wist waar ik me bevind, had ik me in Valencia of Brussel kunnen bevinden, in een restaurant waar ik nooit eerder voet aan de grond zette.
Vijf dagen na het plaatsen van de bestelling komt een sympathieke jongedame vragen of ik het biertje al heb gehad.
maandag 13 april 2026
i cant (remember)
I can't remember the first word I heard.
I can't remember the first word I said.
I can't remember the first word I wrote.
I can't remember the first phrase I deleted.
I don't remember the words that I for one or other reason can't remember.
I can't remember what I did at half past two in the afternoon on February 2nd last year.
I don't remember when I saw a seagull for the very first time.
When I first saw Birds, I can't remember when.
I do remember that it was my first Hitchcock experience.
I must have read some phrases of Je me souviens twice or thrice. I can't remember which ones.
I don't remember the longest, but I do remember the shortest poem I wrote.
'Ah!' said Oshin, when I told her about it.
I don't remember if André Brasseur performed in La Palma.
I don't remember the first vinyl I bought.
I do remember the first I can't remember I wrote, a decade ago, which is
I can't remember how I got out of my mother.
zondag 12 april 2026
kachel
Wat doen die mensen op straat? Zouden ze niet beter thuis voor de kachel zitten.
Wat doet die kachel op straat?
Wat moet die auto met een kachel?
Wat doet die schaduw midden het kruispunt?
Waant het voorval zich in een film van Orson Welles misschien.
Midden het kruispunt, een schaduw, wat moet dat daar!
Een auto met een kachel? Wat doet die kachel op straat!
En die mensen, dat ze thuis voor de kachel zitten!
Maar dan krijgen ze kinderen.
Verdwaald in een Rorschachtest.
En die kinderen hakken ze aan stukken, tot ze de uitgang vinden.
vrijdag 10 april 2026
i cant (remember)
I can't remember when I bought I remember, the Terry & Bellos translation of Je me souviens, or where I bought it, but I do remember that I read I remember Lumumba, just a couple of minutes ago. It's on page 83 of above-mentioned edition.
