zondag 15 februari 2026

zondag 15 februari

Transcriptie van Monday 15 February, The Diary of Virginia Woolf, Volume 5, FEBRUARY 1937, page 55.

O, wat zat het tegen om ladderzat, zonder onderscheid tussen rechts of links, naar Rodmell te fietsen. Bijna met m'n volle gewicht tegen iemand in een zwarte overjas gebotst. Daar! op die hoek! een mariabeeld! Traag over het voetpad sluipende voetsporen van haar naar mijn straat, van mijn naar haar, van haar naar mijn straat. Wat minstens een uur nam. Meerdere personen stonden naar me te kijken. Tot ze haar kwamen weghalen. De dame met aureool en voetstuk in een ambulance tilden. Hop! weg ermee! Ik besloot me een leiband aan te schaffen, waar het baasje en de hond nog aan vast bleken te zitten. Liet het riooldeksel vallen. Kapot. De hond wou die, het baasje een andere kant uit. Een deur die opengetrapt op exact hetzelfde moment toch weer dicht zat. De deuropening die zich eerst hier, dan weer daar bevond. Open dicht, een ander en toch telkens hetzelfde gat. Personen die bij me binnenvielen, stonden een tel later toch weer op straat. Psychoses. Iemand die zei dat het woord riool er wat haar betrof over was. Het woord riool niet gebruiken, zei ze. Een nogal dik personage betrad de lokaliteit, begon zich uit te kleden, en toen hij daar klaar mee was stond Leonard voor me. Grutjemeputje, lichamen die tevoorschijn komen tijdens het afgooien van een winterse jas, Leonard, zei ik, wat moet ik daarmee. En wat een gedoe! woorden die kunnen, woorden die niet kunnen. Leonard kwam naast me zitten, brede glimlach, zag er ondanks het weinige wat hij leek voor te stellen best oké uit. Iemand die we niet kenden stapte uit de wegversperring. Ik ben Jan, zei het personage. Jan wou het over de aardappel hebben. Opeens had alles een andere dimensie. Ik zal het nu over de aardappel hebben, zei Jan. L dat hij de beschermhoes waarin hij zich bevond aan een busstation in Aalst gevonden had. Hield niet op met praten. Hij plaatste een doosje met iets wat op keutels leek op het aanrecht. Praline? zei hij. Ik nam een praline; stak hieropvolgend nog een hoeveelheid suiker in m'n mond; mjam mjam; liet de chocolade langzaam smelten; stak nog een praline in m'n mond. Had iets genomen, zei hij, zei Jan, gisteren of zo, zei hij, en de hele dag alle geuren vanop een afstand van minstens 10m waargenomen. Een schrijnwerker die vreselijk stonk en op een afstand van minstens vijftien meter stond. Ik nam nog een praline. Het gesprek kwam op Resem. Dat het niet goed gaat met Resem. Symptomen van dame met hondje. Dus, zoals ik zei, bijna fietste ik tegen iemand in een zwarte overjas aan. Een glas water graag. Je weet niet altijd op voorhand wanneer je iemand of iets vervelend begint te vinden.

Geen opmerkingen: