vrijdag 31 juli 2026

Verdegem


Verdegem zit op drieduizend bladzijden Joyce waar hij geen weg mee weet, Joyce, Twain, en ook nog wat uit blootmagazines gescheurde bladzijden, weggemoffeld in bruin inpakpapier. Telkens hij opkijkt van het boek, alles van Joyce gereduceerd tot één volume, wat moeiteloos onder de trenchcoat duikt, drie vingers linkerhand de as tussen is gebeurd is niet gebeurd, om mee te nemen, gratis, Als hij opkijkt van het boek is er blauwe hemel. Genoeg blauw om het als achtergrond aan het moment toe te voegen. De opeenstapeling van wolken maakt dat het samenzit. Een rekensom van glas hoog boven de ramen van het lokaal waar hij vlak bij een van de ramen zit, aan het bureel waar hij sinds 12 september zit, en twee verdiepingen lager, in het parkje, voor zover het met kortgeschoren buxus afgebakende perceel die naam verdient, de blote, door het felle licht aangevreten benen van Hermeline, Hermeline die met een zijwaartse rugslag twee drie meter van de hoofdingang verwijderd op een van de bankjes zit, half in half uit het zonlicht. Ze grijpt in het kartonnen recipiënt, zonder van haar cell-phone op te kijken, vist een lijvig volume uit de doos half uit half in het licht van een verloren dag, wat ze zonder van de cell-phone weg te kijken op haar blote benen etaleert, Essais van Camus, maar opent ze het volume? Ik vraag, opent ze het volume. Juffrouw Werdenfels, registreer deze waarneming. Metafysica, de woorden, die eerste bladzijde. Hermeline, haar blote benen uniform half in half uit het zonlicht, opent het volume, een Gallimard, opent het volume op bladzijde– –Veegt over het schermpje van haar rozepaarsgeaderde cell-phone, voor ze vol in één van twee ligstoelen wegzakt, door Septuaginta voor historisch naslagwerk ter beschikking gesteld straatmeubilair. Slaat het boek open, treft bladzijde 19. De cell-phone geeft uit op het parkje. Onderaan bladzijde 18, (leest) il lui faut une livre de pain, bizar lui un kilo il lui faut! Een boek met of een boek van brood? Bizar. Niet op de hoogte gebracht. Schedelinhoud dichtknopen. Impasse. Alles kan. Moet kunnen. Veegt over het schermpje. Vingert. Zwembadblauwe zee, meeuwen, een zeilboot, een broodzak, socials zitten er vol mee. Terug naar het boek. In het park doet zich een mannetje in grijze trenchcoat voor.

Ze tilt het boek op duim en drie vingertoppen linkerhand, Toch gauw twee kilo, dit boek, misschien tik richting drie. Et vas-y le saucisson, vas-y le camembert. 10s, had Camus een kookprogramma, avant-Perec? Schuift haar linkerhand, na die hand van het gewicht van Camus bevrijd te hebben, in de dijkloof van knie tot broekje. Plek die inderdaad als zodanig benoemd zou kunnen worden, mosharig diertje. Camus belandt op, Haakt beide duimen onder het elastiek van het klassiek witte broekje. Mosachtigen hebben het holoceen veroverd. komt naderbij, haar blik strak op de betegeling en net zo hevig zonder wat anders op te merken het boek in haar linkerhand, Ook die linkerhand. Zonder juffrouw Snik op te merken staart Verdegem naar de leegtes van het licht, een schaduw die wat ogenblikken later in licht verandert, Hermeline die intussen met haar cell-phone bezig is en Verdegem niet herkent. Het dunne gelepel van een klokje. Een van de buren had het welwillend, sussend bijna, over juffrouw Werdenfels gehad, juffrouw Werdenfels die bij zonnig weer plat op haar buik op het gazon in Infinite Jest had zitten lezen, er af en toe een bladzijde uitscheurde en later alle uit het boek gescheurde bladzijden in het riviertje wierp. Zo is het in Frome begonnen, met een opmerking over het parkje. een lineair voorwaartse stapbeweging,

Door de aanhoudende regen is een blauwig grijs, een donkere, obscure blauwte in de straatkeien getrokken. Hermeline concentreert zich op wat de cell-phone biedt, houdt met haar vrije hand het boek op bladzijde 18 19 open, Een meeuw. Noteert ze. Meeuw. Naast het houten bankje, met één poot aan een paaltje vastgeklonken, het bierflesje. Horizontaal, leeg, niet langer met liquide gevuld, kwam terecht waar een hand nog net bij het gras kon. Fellatio met één vinger, zuigt aan die ene vinger die, als ik het goed heb, een ietwat zoute smaak heeft. Zonder naambekendheid tussen stenen uitstekende plukjes groen, geen herderstasje in wording, geen paardenbloemen, hoegenaamd niets dat zich achter het Latijn van Linneaus verstoppen kan, plukjes die het hele seizoen nog voor zich hebben en voldoende aan een bizarre kleinigheid om tot ontkiemen en ontwikkeling te komen, dat ze het volhielden heeft jaren gekost. Van de Essais van Camus, een volume uit Bibliothèque de la Pléiade, pietst ze bladzijde 19 tot en met 45 tussen duim (onder)&(boven) drie van de vingers van haar linkerhand, haalt uit, heeft alles er in 1 keer weg.
Een meeuw. Trage curve over de als een wal boven het parkje uitstekende baksteen. Iemand met  hond aan leiband staart met holle, introverte blik naar het gazon. De hond ontlast zich op wat als gras bekend kwam te staan. De positie van de wijnfles, op een halve meter van het bankje, toont een vergeten, nachtelijk tijdstip, ontkent en bevestigt het tijdstip, En daar is dat mannetje weer. Ze kijkt op van haar cell-phone, herkent Verdegem, Verdegem die dit keer zonder boek in de richting van het kantoorgebouw, zich een ogenblik later met boek en strakke tred in de richting van het brugje introventeert. Een net zo simpel als doeltreffend organigram. A met boek, B zonder.

A is met het boek, waar hij het vandaan gehad had kunnen hebben is onvoldoende bekend, boek of baksteen, het al of niet volumineuze volume klem tussen de vingers van z’n linkerhand, hand die vastzit aan een lamme arm. B zonder boek, de andere kant op. Waarheen onvoldoende bekend. Merkt Hermeline op. Doet niet alsof. Het knikje. Hoffelijk, hoofs, een hond. Hermeline antwoordt met een frivool gebaar, tilt Camus tot smulhoogte, tien vingertoppen tegelijk, wat Verdegem tot nog een knikje noopt. Enkele minuten later zonder het boek, zonder het boek maar alsof het toch tussen de vingers van z’n linkerhand zit, de lamme arm niet opvallend zwieriger of minder zwierig, strak tussen de kortgeschoren aanplant over het betegelde pad tot aan de rivier, strak, introvert, niet om zich heen kijkend, alsof wat hij zich voorgenomen had werkelijk niet wachten kan. Kijk, eerst A, met, en, wat later B, zonder. En Hermeline die weer op haar cell-phone zit. Waar zit ik. 

Geen opmerkingen: