Het gaf een zonnige herfstdag toen ze in koetsen naar het concertgebouw reden waar die avond de première van de vijfde symfonie van Schubert zou plaatsvinden, maar wij wilden het over Stollo Smulz hebben. We bevonden ons in het rooksalon, met glaasjes Ararat, Georgische cognac en een fles druivenwodka binnen handbereik. Istvan en Lavon hadden aan het schaaktafeltje plaatsgenomen.
Neemt U me niet kwalijk, mompelde Lavrenty Konstantinovich Vrazdovshchinsky, neemt U me niet kwalijk, Ierostislav Isjtsjvanovitsj, maar ik moet kakken, mompelde Lavon Vrazd, die moeizaam, verdrietig, drietenig om zich heen tastte, door Maxim overeind geholpen werd en rochelend de gang op slofte.
De ouwe Grafinja Aleksandrina Pantelejmonovna Tsjernysjova-Bezoobrazova was er bij komen zitten.
- Dag, Sasja! sprak Ierostislav vriendelijk.
- En emmeget over de Smulz g’ad, informeerde ze.
. . . over wie anders, gravin, over wie anders hadden we het gehad kunnen hebben, mompelde ingenieur Nocnik.
Een ongelukkig voorval woog op de gemoederen.
Maxim, de jongen had z’n gulp weer eens ondersteboven dichtgeknoopt, bij wijze van spreken ondersteboven, stak een gloedvol betoog af over de vis die hij drie dagen eerder gevangen had, buitenkeels, alsof Guillo, die net de kamer binnenkwam, op de slof gevolgd door Vrazd, met een door Wells bedachte afstandsbediening in z’n kielzog visfilet exploiteerde. Niet iedereen luisterde even aandachtig. De ouwe Grafinja Sprotokova, of Shprot, zoals ze plagerig genoemd werd, zat er intussen al wat slaperig bij.
- Ai . . . Ai . . . Als ’t ie maar niet weer over Odessa begint, merkte Guillo op, die even voordien uit de kelderverdieping opgedoken was. Guillo kwam half struikelend aanstappen met een dienbord en daarop schaaltjes gerookte vis, kaviaar, met kalfsvlees op smaak gebrachte pasteitjes, gekonfijte bessen, petit-fours en de papierpuree waar Aleksandrina Pantelejmonovna zo dol op was.
Iedereen hield z’n adem in, zat te wachten tot iemand de moed opbrengen zou om het over Smulz te hebben, Stodilo Smulz, Stollie voor de vrienden, die Protvod met een tot de verbeelding sprekende schijtexercitie tot overgave gedwongen had. Aan de schaaktafel antwoordde Ierostislav Isjtsjvanovitsj met de Berlijnse verdediging op het manoeuvre van vaandrig buiten dienst Lavon Vrazd.
- Stollo . . . Stollo . . . begon ik Maar een bediende verscheen, fluisterde iets in het oor van de Grafinja.
Ingenieur Nocnik keek op uit The Works of Plato, het vierde deel, waarin hij ook tijdens de lunch had zitten bladeren.
We hoorden geritsel. Een helder, scherp en snel geluid. Weer verscheen een lakei, dit keer met een schoteltje melk.
Ik merkte een algehele verademing, een verheldering van het in het salon heersende klimaat, Nocnik die met een guitig lachje een sigaar plukte uit het schuifdoosje, wat hem door Vasili aangeboden werd, j’adoube, zei Lavrenty Konstantinovich Vrazdovshchinsky, die de kleine rokade overwogen had en het schaakpartijtje onverrichterzake onderbrak, ook een sigaartje nam.
Ik bedacht dat het ongetwijfeld verstandiger was om te doen alsof ik werkelijk nergens maar dan ook helemaal nergens van wist. Overwoog om aan de piano plaats te nemen.
Natuurlijk hoorde je niet te weten dat Vasili in de nauwe uurtjes met Guillo aangesproken werd en ook dan als een knipmes boog. Dat zelfs de gravin op de hoogte was van het delict en alleen maar deed alsof ze niet doorhad dat iedereen het wist.
Op de trap naar de tuin streken twee kauwen neer. Een van de bedienden drentelde over het grind. De knaap verdween kruipend achter een struikje, deed z'n gevoeg. Dat het personeel zich dit soort vrijheden permitteerde, verontrustte me.
- Stollo . . . ik stotterde, kwam niet uit m’n woorden, Stol . . . Stollo zou . . . zei ik Ze hadden geen munitie, zei ik.
Wat ik gehoord heb, zei ingenieur Nocnik, . . . Maak je niet druk, zei hij. De ouwe heeft zich tijdens een of andere bergwandeling bovenaan de trap ontlast, bravo hiep hiep hoera Bij Warwara Petrowna thuis. Zonder dat ie z'n broek af te steken had. Iemand een vuurtje? Heeft iemand een vuurtje, vroeg Nocnik. Hij boog zich naar Aleksandrina Pantelejmonovna Tsjernysjova-Bezobravazova, die het volume waarin ze niet had zitten lezen, iets van Jean-Jacques Rousseau als ik het goed heb, zedig van zich afschoof.
Ze keek op van het schoteltje met melk dat haar door een van de bedienden aangeboden was.
Ingenieur Nocnik ontblootte z’n tanden, wat aangaf dat hij niet van plan was om prijs te geven wat hij van het voorval wist.
Aleksandrina Pantelejmonovna Tsjernysjova-Bezozobrazova deed alsof ze niets gehoord had.
Nocnik scheurde snel nog twee bladzijden uit het vierde deel van Plato, sopte het papier in rauwe melk.
De gravin keek naar het schoteltje. Misschien had ze idd. ook helemaal niets gehoord, was ze uit een muizenslaapje wakker geschrokken, het schoteltje met melk net daar waar het zich bevinden moest. Ze stak een van de bladzijden in haar mond.
- Stollo, zei ik, nogmaals, Stollo . . .
Aleksandrina Pantelejmonovna die op Plato zat te kauwen! Ik slaagde er niet in om te doen alsof ik, o! wat vervelend, alsof ik nergens van afwist. De gravin die op Plato kauwde, smikkelde, ingenieur Nocnik die nog een bladzijde uit Phaedo scheurde, Op welke bladzijde hij Plato open had? bladzijde 123, zag ik, voorin het vierde deel, negen tegen een gaf het Phaedo. De ingenieur scheurde snel nog twee bladzijden uit het boek, vingervlug, geoefend, en ik disselde, overwoog, was er niet uit, keek om me heen, de gravin die op Plato kauwde, ingenieur Nocnik die zich over een schaaltje met petit-fours ontfermde, en besloot om met alles wat tegenzat toch dieper in te gaan op hoe het met Stollo zat. Dus zo meteen, begreep ik, zou ik uitleggen hoe het zat met die oude Smulz, terwijl ik helemaal nergens van afwist. Tot tien tellen had me kunnen redden . . . Een retorische kunstgreep. Het dissimulatio. Wat ik gehoord had wegstoppen . . . Achter, Nu begon ik ook zelf te praten alsof ik, Achter de kont van. Maar dat zei ik niet, ik zei, Wat is er met Aleksandrina Pantelejmonovna, zei ik.
Met Sasja? Nocnik keek geamuseerd op uit het vierde deel van Plato, sloeg een bladzijde om, waar hij z’n volle aandacht voor nodig had. Maxim vulde de glaasjes bij. Smulz, zei de ingenieur, had het bevel over een bataljon dat vlak bij Protvod gelegerd was, en ze hadden geen munitie meer. Een pijnlijke zaak, zonder munitie kan je geen veldslag winnen.
De gravin spoelde haar gebit in het schoteltje met melk.
- Nu ja, zei ik, Stollo . . .
Je had iets over Smulz willen zeggen, zei Vasili. Ook de gravin zat me opeens scherp aan te kijken.
- ’t Is hier percies vol mè volk da’k van hoer noch puut en ken, zei ze.
- Stollo . . . zei ik, Stolido, verbeterde ik, Stollo Smulz, herhaalde ik, Smulz, zonder acht te slaan op wat Aleksandrina Pantelejmonovna gezegd had,
Nocnik kwam tussenbeide. Nam een fles Ararat en schonk enkele glaasjes, gretig, genereus, eentje waar Lavrenty mee aan de haal ging, Istvan ontfermde zich over het andere. Smulz had het bevel over een troep van honderd man, begon de ingenieur uit te leggen. Ingenieur in wat, vroeg ik me af. Ze belegerden het achterlijke Protvod, vernam ik. Het regende en hierdoor hadden ze opeens geen munitie op overschot.
- En het was net Smulz, ouwe Smulz, zei ik, die met het plan op de proppen gekomen was.
- Smulz die naar verluidt niet eens tot vijf tellen kan, merkte ingenieur Nocnik droogjes op. Hij veerde overeind, overhandigde de uit Plato gescheurde bladzijden aan de gravin, die zonder hierover na te denken een van de bladzijden tot zich nam. Nocnik schonk ook voor Maxim, die driftig met z’n hoofd zat te schudden, en voor zichzelf een glaasje druivenlikeur, bleef heel even staan kijken naar het schaakbord.
- Tot Vransk reden ze, zei ik –––Vransk dat daar toch zo'n 40 werst vandaan ligt, gaf ingenieur Nocnik mee. Precies. Ik had de draad te pakken. Vransk Tot Vransk reden ze, zei ik, 40 werst, inderdaad, 40 werst zo ongeveer, tot ze van alle paarden die ze vonden, en van nog eens zoveel koeien, varkens, schapen en geiten alle stront verzameld hadden. Vijftig ton. Met die karren reden ze naar het front. Het konvooi kwam in een noodweer terecht, van de karren tuimelde er wel meer dan eentje omver in een gracht. Intussen, zoals algemeen bekend, was de slag om Protvod begonnen. Het konvooi bleef weg. Smulz stak z'n broek af, kakte. De manschappen volgden zijn voorbeeld, staken hun broek af, kakten. In allerijl kneedden ze de drek tot geschut. Dat was munitie! Van Protvod bleef geen morzel. Smulz werd tot majoor bevorderd.
Dat verhaal, zei ingenieur Nocnik, die nog een sigaartje opstak, zonder me aan te kijken, heb je als ik me niet vergis ook gisteren al verteld. Hij plukte het vierde deel van Plato uit de plooien van de jurk die de schoot van Gravin Sprotokova bedekte.
Ik bloosde. Wat vervelend. Aleksandrina nam nog een bladzijde. Istvan en Lavon staarden in het haardvuur. Je weet toch . . . zei ik, Het was Lavon die me onderbrak. Ook dat wisten ze, dat Smulz aan de belegering van Protvod niet alleen het eremetaal te danken had.
Maxim maakte van de gelegenheid gebruik om z'n pantalon op het rechte spoor te hebben, nam een pasteitje, nam er twee. Sasja slikte wat ze uit Plato toegestopt kreeg, waar ingenieur Nocnik zich hoogst persoonlijk over ontfermde. Had Lavon op z'n donder gekregen of was hij het die Istvan er van langs gegeven had. Istvan die op een potloodstompje kauwde. Ook de gravin hield maar niet op met kauwen.
- Jij, jochie, riep Lavon, jij bent een uit Dostojevski gescheurde bladzijde!
- Ik . . . een wat? stamelde ik.
- Een uit Dostojevski gescheurde bladzijde!
- Wie is Dostojevski?
- Fjodor Dostojevski, zei Lavon. Jij bent een uit Fjodor Dostojevski gescheurde bladzijde!
Ik kroop overeind, verontschuldigde me, Vasili boog voorbeeldig. In de binnentuin was een lichte bries. Midden het pad hing een wolk van muggen. Ik stapte om de muggen en het struikgewas heen, stak m'n broek af, hurkte. Potverdraaid, wat ik ook probeerde, het wilde er niet uit.
vrijdag 4 september 2026
Smulz' heldendaad
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten