zaterdag 14 januari 2017

mailart [2104-2130]

[green tea series]
2130. 13 oktober, 15 oktober. [2015]
2128. 21 september, 23 september.
2127. 21 augustus, 28 augustus.
2123. 9 augustus, 17 augustus.
2119. 5 augustus, 9 augustus.
2117. 6 augustus, 10 augustus.
2115. 2 augustus, 4 augustus.
2113. 11 juli, 23 juli.
2111. 2 juli, 12 juli, 16 juli, 22 juli.
2110. 18 juli, 22 juli.
2109. 13 juli, 22 juli.
2107. 10 juli, 17 juli.
2106. 30 juni, 15 juli.
2105. 3 juli, 10 juli.
2104. 5 juli, 9 juli.
sjoerd paridaen & laura van

vrijdag 13 januari 2017

na het lezen van een gedicht van fernando pessoa



Ze zitten op een muurtje, op een bank aan de oever van de rivier, op een terrasje aan het water, op een strandje vanwaar ze de veerboot kunnen zien, die ze ook hadden kunnen zien als ze op het muurtje plaatsgenomen hadden, die ze ook vanop het terras gezien zouden hebben, die zichtbaar geweest zou zijn als ze op de bank plaatsgenomen hadden, die ook vanop het plein, genoemd naar een zeeman, zichtbaar geweest was zodra het vaartuig voorbij de smalle vuurtoren de aanlegplaats verlaat, voorzieningen waar ze geen van beiden gebruik van maken of waar ze misschien net wel gebruik van maken, in elk geval, het wordt niet als zodanig vermeld. Het metselwerk is misschien net een tik te hoog om er met de knieën bij te kunnen. Er zit al iemand op het houten bankje aan het water, zodat ze eigenlijk niet eens overwegen om er plaats te nemen hoewel het een van z'n favoriete plekken aan het water is, vlak bij het naar het rijdier van een zeeman genoemde plein. Als we het over de hele lengte van het rechthoekige vlak schuin oversteken, om het hoog boven het plein uittorende standbeeld heen wandelen en wat verderop na ons geïnformeerd te hebben onder de arcades door stappen, waar geen zitplaatsen zijn, waar het vrouwtje ons staat op te wachten, dat ik voor we de sokkel van het hoge standbeeld bereikt hebben al in het vizier gekregen had, dan hadden we wat als zijn favoriete restaurant bekend staat kunnen betreden, hoewel het geloof ik niet in de stadsgids die wij bij hebben vermeld staat - het heel even betreden van deze in elk opzicht bijzondere plek, waar de auteur naar verluidt zo goed als elke dag getafeld zou hebben, meestal toen hij na de uren op het kantoor van een verzekeringsmaatschappij met zijn van foto's bekende kwieke tred door de altijd rumoerige straten van het metropool beende, is een ritueeltje dat vooral heel erg in zwang is bij literair geschoolde dames die eens wat anders willen fotograferen dan de gebruikelijke plekjes waar ze bovendien net zo vaak door andere barok om zich heen kijkende soortgenoten gestoord worden. Overigens is veel van wat de luisterrijk met dikke volumes gefêteerde dichter dreef of bezighield bij het grote publiek weinig tot niet bekend. De alluviale brieven die hij aan de dame schreef, wat ze niet onbeantwoord liet, zijn ongeremd losbandig, de lettergrepen, flagrant, spuiten uit een met geestrijke vochten aangelengde, pornografische euforie, een in woorden geplengde, uitzinnige wellust die zondermeer opmerkelijk is, vooral nu zij rustig, bedaard, waar menig biograaf zijn hand voor in het vuur gestoken had, over de kade kuieren, het houten bankje negeren, waar een poos eerder een hen niet helemaal onbekend echtpaar plaatsgenomen had, en zo, in het withete licht, zonder dat de afstand die zij af te leggen hebben zichtbaar op een van beiden weegt, stroomopwaarts dalen naar de stroom en op een tot heden onbekende plek in het gras, op een boomstronk of op een met platte keien verstevigd plekje plaatsnemen, en wel zo dat hij heel erg makkelijk, zonder de minste inspanning van zijnentwege, haar hand vastnemen kan.
De veerboot heeft zijn als gebruikelijk brede bocht landinwaarts over de hier heel erg brede stroom beëindigd, is vanaf de plek waar zij zitten niet groter dan een tor. [ ]

woensdag 11 januari 2017

woensdag 11 januari

Transcriptie van Tuesday 11 January, The Virginia Woolf Diary volume 5; Penguin Books, 1985; p. 125, JANUARY 1938.

's Nachts is er dat gekke geluid. Een dof geluid. Het is een dof geluid. Geen morsig geluid, geen slobberig geluid, geen onzindelijk geluid, geen nat geluid. Nat... nee,[1] het is geen nat geluid. Het is een dof geluid. Onzuiver, slap, futloos, halfslachtig. Het mist de helderheid van de roekeloos zuivere zweepslag. Het is te slap om aan een stok of een riem toegeschreven te kunnen worden. Als het zich overdag had voorgedaan, was het een volstrekt normaal geluid geweest, onzuiver omdat het ook dan zonder duidelijke identiteit gebleven was, alsof iemand die vreselijk moe is toch nog probeert om een stoel te repareren, een nagel in een muur te kloppen of de hele tijd door tegen een deur of een kast aanbotst zonder andere oplossing voor het vervelende voorval dan toch weer tegen de hindernis aan te lopen.
Het is een slapeloze nacht en ik probeer me iets bij het geluid voor te stellen. Bijvoorbeeld,[2] een sponzig, heel erg harig of net volstrekt haarloos been dat op onregelmatige wijze een klauwende beweging maakt, tot het maken van die horizontale of verticale beweging gedwongen wordt of net niet.

[1] Ik kruip uit bed, stommel naar het gelijkvloers, ga voor de computer zitten zonder het ding aan te zetten, neem een volume uit de hoge, gestaag groeiende boekenstapel die bovenop de oude Benq terechtkwam, en sla het open. Het is die eerste editie van de gedichten van Fernando Pessoa, vertaald door August Willemsen, een uitgave van De Arbeiderspers met een tekening van José de Almada Negreiros voorin. Het boek valt open op bladzijde 124/125 en een zin die ik sinds ik het boek kocht misschien net geen tien keer gelezen heb, zes keer misschien en vrijwel nooit in identieke omstandigheden. Misschien sta ik naakt in de kamer of voel ik de aandrang om me te ontlasten, of ik zoek een citaat om een brief mee aan te vatten, dat van die buitensporig duidelijke dag en iemand in de deuropening van een tabakszaak terwijl de benedenbuur lawaaierig door de kamer stommelt, of in het belendende huis is het gejengel van een gitaar, in elk geval, de omstandigheden zijn nooit dezelfde.

[2] Ik kan het me niet voorstellen en ik wil het me niet kunnen voorstellen. Toch stel ik het me voor. Het overvalt me in het holst van de nacht als ik klaarwakker in bed lig. Het harige been... Om ergens mee te beginnen. Het had ook een stront van enorme omvang kunnen zijn... Een gigantisch ding. Tweebenig. Het komt op me af. Tegenwoordig slaap ik om een of andere reden heel erg slecht. Ik draai me om van de ene op de andere schouder, maar ook die houding hou ik maar enkele minuten vol, en het komt op me af. Geen slagschaduw. Op straat is niemand. Het doffe geluid en de enorme gestalte, die wat kleiner wordt zodra ze de rand van het bed bereikt en over het bed heen stapt, zijn geen collectief ding. De duidelijk zichtbare, bijna vloeibare gestalte is geruisloos, kwiek, lenig, net zo kwiek en lenig als een goalie die opeens in één keer over het bed heen rolt. Het doffe geluid is traag, lomp, zonder ritme. Het lijkt wel een eeuwigheid te duren voor het zich weer voordoet. Ik was al bijna vergeten dat het zich voordeed. Ik ga op m'n rug liggen, staar naar het plafond. En dan hou ik het niet langer. Het moet er uit. Ik kruip overeind, stommelen geeft bij benadering weer hoe ik mij voortbeweeg, ik open een deur, stap door de gang, erger, ik kruip, nee, ik stap en na wat een dagenlange bergtocht lijkt bereik ik de toiletpot op het tweede. Oooooh, oooooh, ooooh, ooooh, daar komt ie, jongens daar gaat ie, hééééé, héééé, héééé, oooooooooooooh, daar komt ie. Ik druk. Jezusmariajozef. Help. Ooooooooh, oooooooh, oooooooh, godverdomme jongen, komaan, vooruit, en dan ben ik eigenlijk al van plan om me niet druk te maken over het feit of hij er uit wil of niet, me bij het failliet neer te leggen en maar weer te wachten tot het doffe gebonk opeens weer hoorbaar is, als 't ie opeens vol uit m'n aars schiet, dinosaurisch, ongelooflijk, een enorme drol, een drol zoals ik er nooit een gekakt heb, een drol van reusachtige afmetingen, een drol zeg maar om in te lijsten, jaartal, handtekening, deodorant, ik lever er alles hoogst persoonlijk bij, aah! hoh hoh hoh hoh! aaaahaaaa! neeeeeeeeeeeeeeeeeeee, onbeschrijflijk, werkelijk, ooooh-ho-hoooo, wat een volstrekt verzadigende ontlasting, een gebeurtenis van wereldformaat, oh oh oh jongen jongen jongen, kalm aan, kalm aan, Lidia godverdomme, weg, weg, maakt u de voeten meid, donder op, wééééééééééééég zeg ik, ik zat hier eerst, ik, hier, eerst, ik hier, en gij, gij, ooooooh, ha ha ha ha, jongen jongen jongen, ah-la-la, wat een gebeurtenis, kom kom kom, geen gesputter, schuif op, schuif op. Ik veer overeind. Man man man. Ik stap. God-ver-domme. Oooooooooh, ooooooooh, hoh hoh hoh, sjonge sjonge sjonge. Als ik een hoed had aangehad om nachtschade en raamkozijn te groeten. Met een zucht als een stoet van vingers luidkeels over de rand van het maanlicht val ik breed over het bed. Weergaloos, briljant, een onbeschrijfelijk moment. [ ]

zondag 8 januari 2017

vrije val

VRIJE VAL

[2]

Op maat gemaakt, tegendraads. Valt.

Valt in het vroege licht,
valt in het late licht,
valt in het witte licht,
valt in het dode licht.

Op maat gemaakt als een haring voor een graat.

[3] [vrije val]

insteek Vroeg in de zomer viel een blad uit die boom daar. Ik zag het blad vallen. Of: iemand zag het. He ja, ik heb het gezien. [Dat heb ik gezien.]
titel vrije val
Het valt uit die boom daar. Ik zie het vallen. Het maakt een schroefbeweging. Schroefbeweging: [voorbeeld] het boort zich in het harde licht.
Twee bedenkingen. (a) Gebeurt het op het noordelijk halfrond, (b) Valt het als eerste?
[a] Ja.
[b] Geen idee.

Locatie: Beverhoutplein, vlak bij Sint-Jacobs, 9000 Gent. Noordelijk halfrond.
Tijdstip: 12u. Zomer 1986. [vroege zomer 1986] Witheet licht. Middag. Op het plein is niemand.

Het valt als enige. Dit is een lichte overdrijving. Een goedkope veralgemening. Globaliter: Gezien binnen het geheel van noordelijke en zuidelijke hemisfeer,
valt het blad in de noordelijke hemisfeer [uit nog te preciseren boom], op hierboven aangegeven locatie, Beverhoutplein, Sint-Jacobs, Gent,
en maakt het hierdoor ten op zichte van de zuidelijke hemisfeer een stijgende beweging?
Nee. Om die reden, zoals aangenomen werd, is de aarde plat. [mogelijke conclusie]

Acht meter vrije val. Een discipline. Geen hindernissen tussen okselknop en tegel. Een schroefbeweging. Valt, boort zich in het volle licht. Tijdstip: het middaguur. Witheet zonlicht. Jaartal: 1986. Maand: juni. Atmosferische kwalificatie: zomer. Omstandigheden: zwaar, hard.

Twee bedenkingen. 1. (a) Het schroeft zich in de leegte (diepte onder, afstand tussen). (b) De leegte is overal. (c) Overal zijn identieke bomen.
Of: Op veel plekken zijn identieke of min of meer identieke bomen. Het noordelijk halfrond staat er vol mee.
Op veel plekken staat het er vol mee.
Op andere plekken staat er hier en daar eentje. Niet genoeg om het veel te noemen.

2. Het is geen dodelijke val. Als over zelfde afstand een fles valt, is ze kapot. [Guido De Bruyn hierover: Soms valt een glas en breekt niet.
In acht genomen de te overbruggen afstand breekt het glas dit keer wel.] De fles gaat aan scherven.
[Probeer een vlakgom.]
Als ik met zelfde afstand onder me (diepte onder, afstand tussen) uit het raam val en op straat beland, overleef ik het niet.
Lekker zit het in elk geval niet.
Chet Baker viel uit een raam in de binnenstad van Amsterdam. Over de precieze omstandigheden is weinig bekend. Hij heeft de val niet overleefd. Wie nog?

Als een blad [uit nog te preciseren boom] over exact dezelfde afstand [of een min of meer identieke afstand] omlaag komt, komt het zonder erg daar neer waar het terechtkomt.
Er komt geen verbandkistje aan te pas, geen loeiende sirenes en zich reppende infirmières, geen opgewekte nabestaanden.
Er komt geen fanfare de hoek om een marsje spelen. Niemand komt een kijkje nemen. Er doet zich geen opstootje voor. Het wordt niet opgenomen in de notulen van. Op een kamer op het tweede van een huis in de Wolfstraat oefent iemand de derde etude van Chopin.
Het staat niet als bezienswaardigheid genoteerd in de stadgids. Bouvard en Pécuchet hebben ander besognes.
Het is een wat ongelukkig moment bovendien: in de zinkende hitte op het plein is niemand.
[Vrijblijvende opmerking, opmerkeningen van persoonlijke of filosofische aard.]

Teeuwen: He blad, wat doe jij nou.
Geen apostolische commentaar.
Niemand komt opmetingen verrichten, nadarafsluitingen plaatsen, krijtlijnen aanbrengen. Lodewijks misschien.
Als al iemand het had opgemerkt, dan werd het niet ernstig genomen.
Niemand gaat moeilijk doen. Een blad valt uit een boom en dat gebeurt op het noordelijk halfrond rond deze tijd van het jaar zo ongeveer elke dag. Niet alleen hier, ook daar, ginds, overal.
Hoogstens in te schatten als het naamkaartje van een boom.
Alleen een hond had er naar omgekeken.

zaterdag 7 januari 2017

mailart [1822-1851]

1851. Divided. 19 januari, 21 januari. [2010]
1846. ZT. 6 januari, 8 januari. [2010]
1845. ZT. 31 december. [2009]
1845reverse
1844. Red Face. 29 december. [2009]
1844reverse
1843. Kausale Zusammenhange. 15 december. [2009]
1841. ZT. 25 juli, 16 november. [2009]
1838. ZT. 8 november. [2009]
1836. ZT. 31 maart, 1 november. [2009]
1835. ZT. 7 mei, 2 november. [2009]
1834. Kausale Zusammenhange. 8 juni, 30 oktober. [2009]
1833. Kausale Zusammenhange. [niet moeilijk doen] 8 september, 24 oktober. [2009]
1831. Kausale Zusammenhange. 22 oktober. [2009]
1830. Kausale Zusammenhange. 18 oktober. [2009]
1828. Kausale Zusammenhange. 9 april, [ ]. [2009]
1827. Kausale Zusammenhange. 5 oktober. [2009]
1823. ZT. 17 februari, 25 augustus. [2009]
1822. Kausale Zusammenhange. 30 mei, 2 augustus. [2009]
sjoerd paridaen & laura van

mailart [1801-1821]

1821. ZT. 14 april, 16 april, 9 augustus, 7 september. [2009]
1820. Oh solo mio. 17 april, 9 augustus. [2009]
1818. Kausale Zusammenhange. 1 augustus, 2 november, 15 oktober. [2009]
1817. Kausale Zusammenhange. 15 april, 30 juli. [2009]
1816. Kausale Zusammenhange. 30 mei, 28 juli. [2009]
1815. ZT. 23 juli. [2009]
1814. Kausale Zusammenhange. 9 juni, 22 juli. [2009]
1813. Kausale Zusammenhange. 9 april, 15 juli, 26 juli. [2009]
1812. ZT. 20 juli. [2009]
1811. ZT. 15 april, 15 juli. [2009]
1810. ZT. 3 maart, 29 maart, 1 april, 7 april. [2009]
1809. ZT. 18 februari, 24 februari, 25 februari. [2009]
1807. ZT. 17 februari, 20 februari. [2009]
1806. ZT. 3 februari, 6 februari. [2009]
 1808. ZT. 8 februari, 24 februari, [ ]. [2009]
1805. ZT. 9 januari, 12 januari, 22 januari. [2009]
1804. ZT. 7 juli [2000], [ ], 11 januari, 13 januari. [2009]
1803. ZT. 8 januari, 9 januari. [2009]
1802. ZT. 16 november, 19 november. [2008]
1801. ZT. 20 oktober, 23 oktober. [2008]
sjoerd paridaen & laura van

vrijdag 6 januari 2017

6 januari

Als ik te kiezen had, maar ik heb niet te kiezen, ik heb het boek pas gekocht en het voorschrift is één zin, de eerste, werd het Dylan Thomas en Dylan Thomas heb ik niet bij, dus sla ik het boek toch maar open, opnieuw, nadat ik de eerste zin al gelezen had, Wat een rijkdom aan verrassingen, staat er, een verassing van rijkdommen, en misschien net vanwege die al te voor de hand liggende woordspeling schuif ik het meteen weer van me af. Ik staar naar de balg, een enorme met darmen en bijhorende spijsverteringsorganen gevulde vleesophoping die in z'n geheel voorbij de rand van de commode steekt, net zo verontrustend als het volume op latere leeftijd van Alfred Hitchcock. De eigenaar is klein van stuk en gaat grotendeels schuil achter de commode. Vanwaar ik zit, een tafel achterin de keet waar net voor ik er plaatsnam twee in herenliefde gebrevetteerde projectontwikkelaars plaatsgenomen hadden, zie ik alleen de balg, soms het ronde, pafferige gezicht met een opvallend rozige teint, de dikke lippen het mondstuk van een bombardon, en de vlezige, mollige handen die ongemakkelijk net onder de curve van de voorwaarts gestuwde welving hangen. Als ik het boek toch weer opensla, na een kop hete chocola besteld te hebben en twee broodjes, op een willekeurige bladzijde, en lees, Wij weten niet hoezeer de microben van het fantasme zich mengen met de, en het nog een keer lees, hoezeer de microben van het fanatisme, want dat is wat er staat, de microben van het fanatisme, en dan verveeld opkijk uit het naar adem happende proza, merk ik dat het glas Irish Coffee dat bovenaan een vage schuimrand en onderin een royale hoeveelheid kastanjerood fonkelende whiskey had, het bevindt zich op een klein, rond en met een wit doek afgewerkt tafeltje, tot de bodem toe geledigd is. [ ]
Sinds ik aan de grote tafel achterin plaatsnam, waar de aankoop van een villa in de Algarve besproken wordt, hoewel de modieus uitgedoste projectontwikkelaar zich niet exact herinnert waar ze het huis kochten, ergens in het meest zuidelijke deel van Alentejo vermoedt hij, een afgelegen gebied met boeren aan de grens met Spanje, is aan het panorama dat ik voor me heb niets veranderd; een panorama met een schilderij dat aan beide zijden ruim 30 centimeter voorbij het korte eindje muur uitsteekt, het hangt aan een vleeshaak en stelt een lezende dame voor, niet in de traditie van La bergère (de jonge, knappe herderin die zich in zomers nihil met Diderot vermaakt), hetzelfde of een identiek meisje zou later voor La Liseuse geposeerd hebben, en echtparen die met een logge blik naar het gele vocht staren, een château geschonken in glazen die Boon kantiek genoemd had kunnen hebben; behalve dat ene glas, eerst vol, en dat bleef zo, tot de Balg kwiek als een klapstoel voorover boog, sympathiek, komisch, met het volle gewicht voorwaarts een metrisch volmaakte boog beschrijvend, en met z'n dikke lippen over de schuimrand als een big over een exact op maat gemaakte trog van de Irish dronk, gulzig, klein van stuk, een Gargantua op maat van het zich tot minder kwalijke ongemakken beperkende publiek. Dat deed hij meteen daarna, een halve minuut later geloof ik, nog eens en toen hij het nog een keer deed en ook de whiskey naar binnen gewerkt had, veerde hij op, laten we zeggen na een bedenktijd van tien vijftien seconden, en begaf zich verbazingwekkend kwiek, bijna met elegante tred, tussen de vele hindernissen door naar het klein bestek.
Ik ben al vergeten dat hij er is, verlies me in een notitie bladzijde 34: Men kan deze voorstellingen ook omdraaien, staat er, en besluiten dat in acht genomen de voortdurende bedreiging met verwoesting het coördinatievermogen van het zenuwstelsel en de wil zeer groot moeten zijn, terwijl het echtpaar voor het raam me om een of andere reden aan Lovis Corinth doet denken, meer in het bijzonder de man, [Meier-Graeffe], [Corinth], en wanneer zij, noteer ik, haar bril afzet komt de neus mee, het heeft geen enkel verband met de vorige notitie, als hij opeens en zo ongeveer door iedereen over het hoofd gezien toch weer aan komt stappen en half achter de commode verdwijnt.
Van z'n stuk gebracht door het lege glas op het ronde tafeltje wenkt hij de uitbaatster, die zich meteen zorgzaam als een infirmière over hem ontfermt. 'Ge moogt... Ge moogt nog een, een laatste, ge moogt nog een Irish geven,' zegt hij opgewekt. Het is er uit.
Dit niet aan haar gezegd kunnen krijgen, net zo eenvoudig als het kwam, met beklemtoning van elke lettergreep, het had hem waarlijk diep bedroefd. Nu het er uit is, komt een vreugdevolle sluimer over de gelaatstrekken.

dinsdag 3 januari 2017

3 januari

Ik had die enorme vellen papier twee weken eerder gekocht, planovellen zoals ze genoemd zouden worden, waarbij het volstond om te weten dat de persoon die ze benoemde de vellen bedoelde die ik twee weken eerder gekocht had. Toen hij ze in te pakken had, had de jonge verkoper gestunteld. 'Zal ik de lange zijde proberen...?' had hij gevraagd, alsof hij niet in staat was om het zonder mijn instemming voor mekaar te krijgen. Doe de lange zijde maar, zei ik. 'Dan kan het nog eens zo dun,' had hij geantwoord, terecht opgelucht en dankbaar omdat ik hem niet tot nog meer nutteloze inspanning dwong. Met de in folie opgerolde vellen papier, ik had ze geteld en hij had ze nageteld, zeven stuks, zei ik, en het waren er zeven, zeven in folie opgerolde planovellen van een kleur die het label light grey gekregen had, enorme vellen die de jonge verkoper die wellicht pas onlangs in de winkel was komen werken met de lange zijde binnenom keurig in een transparante, weerbestendige hoes geschoven had, oprecht gelukkig omdat het hem in één keer gelukt was, met die 170cm lange vellen, hoewel het ook 150 of 140cm kon zijn, dat had ik niet nagekeken, die eenmaal opgerold als een schoorsteenpijp hoog uit de fietszak staken, fietste ik opvallend welgemutst in een wijde boog om de kerstmarkt heen, een feestelijk abacadabra dat naar mij voorkwam bij voorkeur vermeden hoorde te worden, muziekjes waar een zeehond hoofdpijn van krijgen kon en schnapps waarmee hij nooit zo dronken te krijgen was dat hij er van opbeuren zou. Er stond een koude wind of er stond geen koude wind, dat herinner ik me niet. Ik had zin in een kop koffie, in hete gemberthee, in een aai over de kale bol, in een bladzijde uit dat verrukkelijke boek van Clarice Lispector, maakte rechtsomkeert, weg van het nieuwe jaar en het schamele perspectief, een narigheid geloof ik die traag heen en weer schokkend om de kerstmarkt sloop. In het koffiehoekje van de boekenwinkel was geen zitplaats onbenut gebleven. Had ik zin om de nieuwe Brusselmans te lezen? Dat had ik me eerder al eens afgevraagd en ook toen was ik er niet uitgekomen. Voor net geen 25 euro werd me een erg mooie uitgave met de honderd beste gedichten van Bukowski aangeboden. In zo'n boekenwinkel kan je tegenwoordig trouwens ook echt grappige boeken kopen, wegwerpboeken, boeken met de vijf beste cd's van de week als meeneemextraatje, meer kookboeken dan Gargantua in z'n eentje had aangekund, boeken, dat is beloofd, die je geen tweede keer lezen moet, sterker, boeken die je niet eens lezen moet en net die zijn zo ellendig goed uitgegeven, met kermismolens, met droedels, met mooie jongedames en leuke hondjes op de cover, dat ik het inderdaad niet overweeg. 's Avonds trek ik m'n sloffen aan en zit ik gezellig mijmerend naar het gasvuur te staren met een kop lekker hete gemberthee, wat citroen aan toe te voegen, Céline uit kolenemmer halen.

maandag 2 januari 2017

2 januari

Het moet rond een uur of zes geweest zijn. Vroeg op de avond. Koud. Ik kon m'n sjaal niet vinden. Kwijt. Neeh. Niet kwijt. Op niet een van de plekken waar ik geweest was, had ik de sjaal om of bij gehad. Laten we het er op houden dat ik verstrooid was. Ik had het al toen ik in die hoerenkeet stond en dacht, he, waar is m'n sjaal. Bordeel. Ja, precies, bordeel, mega-bordeel. Blote wijven, zwembad met krokodillen, lui die normaal gesproken een stropdas hebben. Dus in dat klotebordeel had ik 'm niet laten liggen want ik dacht nog, waar is m'n sjaal dacht ik. Waar ben ik het ding dit keer kwijt geraakt, dacht ik. Neeh. Niet kwijt. Ik had 'm (a) in de auto of (b), twee opties, geen derde optie, ik had 'm ofwel thuis laten liggen, (b), of (a), ik had 'm in de auto laten liggen. Dus. Neeh. Niet kwijt. Maar het was wel verdomd koud en ik had geen sjaal bij. Dat was zo een beetje het probleem. Ik stelde me voor dat ik eigenlijk alleen om die reden aangekeken werd. Eerst heffen ze de kin, dan geven ze het hoofd in één keer een kwartslag, en ze hebben het gezien voor ik het zelf in de smiezen had. Nu hoefde ik het niet in de smiezen te hebben omdat ik natuurlijk eerder al op de hoogte gesteld was van het feit dat ik geen sjaal bij had. Het is optie (b), besefte ik. Op de piano godverdomme. In het bordeel hebben ze geen piano, daar spelen om het zo maar eens te zeggen andere akkoordjes.
Het plein gaf een helse drukte. Ik zat op een fiets, baande me een weg tussen de kooplustigen. Jochies die opeens voor m'n neus opdoken en zonder om te kijken wegschieten naar een vitrine waar ze games hebben en dameslingerie. Dames die met z'n tweeën de hele straatengte vulden, niet omdat ze onbegaanbaar corpulent zijn maar aan een slentergangetje met koopwaar bak- en stuurboord van de ene naar de andere hoerenkeet zeulen, door en door verzadigd van de spullen die ze zich wisten aan te schaffen, doodgemoedereerd, werkelijk alsof alleen zij recht hebben op de plek waar ze hun zolen plaatsen. De consumptiemaatschappij heeft het nooit breder gehad. Op het plein was een tram tussen de kooplustigen tot stilstand gekomen. Ik slalomde tussen de primarktassen door, liet m'n fiets op een misschien niet bijzonder veilige plek maar wel met een knoert van een slot tussen de naven, en reserveerde een plekje in het restaurant waar ze ooit een hondsverrukkelijke Blackwell hadden. Ik keek niet naar het plein, hoogstens probeerde ik op tijd in te schatten waar het wegdek een reet breed vrije doorgang bood. Dan een sjaal. Ik vond er één voor 7 euro.
In het restaurant hadden ze steak, côte à l'os, kipfilet en fishsticks die uiteenvielen zodra ik er met een vork in prikte. De friet bleek niet te vreten en het personeel was ook niet meteen wat het ooit geweest was. Verbazingwekkend. Ik rekende af en maakte me uit de voeten. Lekker strak en warm, die oude, met wol gevoerde bottines. Heerlijk, zo'n sjaal. Zigzaggen tussen de tramsporen en die gekke menigte. Wennen aan het idee van cancan dansende moslima's.

Ik weet wel dat ze bestaan, maar ik had er nooit eentje in het echt gezien. In de kroeg zaten er twee. Zelf zat ik met m'n rug naast de gaskachel. Ik had net een muntthee besteld. Het valt niet uit te sluiten dat ik Fanny Ardant niet herkend zou hebben, dat ik dromerig de hele tijd niet al te expliciet naar de foto boven haar enorme kapsel zou zitten kijken, misschien niet eens op het idee zou komen dat het een lookalike is. Het meisje dat onder de foto plaatsnam leek niet op Fanny Ardant, en dat is onvermijdelijk Vivement dimanche. Ze leek er niet op, zoals Ardant naast de set wellicht ook nooit honderd procent de vrouw was die ze in die film is, maar ze had, bedacht ik, een spookverschijning uit de seventies kunnen zijn, en zo ingeschat leek ze wel op de actrice. Het is niet een twee drie uit te leggen. Wel viel ze meteen op, tenzij ik de enige was die aandacht aan haar schonk, zodra ze tussen de gordijnen gleed, bijna alsof ze vooral niet herkend wilde worden, omdat in de keet toch wat oude knarren op een hoopje zaten, maar zij hadden alleen aandacht voor de pint die ze voor zich hadden. Er was er een, geloof ik, die gulzig over een krant gebogen zat en nog een die aan de jongen die de bar deed stond uit te leggen waarom hij niet in jaartallen rekent, wat ik meteen logisch vond toen ik het hem hoorde zeggen, we don't believe in new years. Hij hanteerde de meervoudsvorm om een reden die na verloop van enige tijd net zo makkelijk tot de ouderdomsverschijnselen gerekend kan worden. Vlak voor de kachel, en hierdoor zo goed als vlak naast me, hadden een moeder en haar dochter, of omgekeerd, het over zaken die te ingewikkeld leken om te doen alsof ik niet kon horen waarover ze het hadden. Wat er nu zo precies bijzonder was aan de jongedame die onder de foto plaatsnam, en hierna slechts af en toe en telkens met enige zuinigheid om zich heen keek, weet ik niet. Wel had alleen zij daar zo kunnen zitten, opvallend zonder op te vallen. Ze verbrak de bekoring, diepte een iPhone uit haar handtas of uit een van de zakken van haar donkere mantel, boog zich over het beeldscherm, verplaatste zich, herhaalde het ritueel met de iPhone waar ze gauw op uitgekeken was en bleek een ogenblik later geen iPhone maar een smal schriftje voor zich te hebben. Ze besloot te wachten, bladerde in het adressenboekje.
De jongen op wie ze had zitten wachten droeg een sweater met een bleekblauwe kraag die vlak bij het strottenhoofd twee knoopjes had. Nog iemand viel me op. Ze zat tussen twee mannen in, onder een foto maar een andere foto, en ze was die andere foto. Grote ogen, de dressuur van een lichtekooi, alle kenmerken van een bijna geleerde lichtzinnigheid, het pikzwarte kapsel in een brede sikkel om het voorhoofd, de weinig bescheiden huidplooi, een vlezige, niet al te grote mond, zo hevig gemaquilleerd dat zelfs iemand die buiten aan de overkant over straat liep het had kunnen zien. Ambities had ik niet, wat niet eens met de mannen te maken had, die wel heel erg duidelijk in een driehoek, met zij aan het hoofd, mee aan tafel zaten. Het kwam me absoluut correct voor dat ik om geen andere, nog te bedenken reden met haar te maken had, een te geavanceerd model, te modern, te expliciet demi-mondain, waarbij ik, begreep ik, niet al te nadrukkelijk haar kant uitkijken moest. Een stroom heeft twee oevers en wat als de vracht 20 kilo vrouwenknoken is. Het was geloof ik gewoon heel erg moeilijk om niet naar haar te kijken.