vrijdag 31 mei 2013

banaliet

De buurman zegt dat hij z'n huis verkoopt en in een nieuwbouw op een appartement gaat wonen. Dan is hij verlost van de paardenbloemen in de tuin en van de honden van de dame die elke maand twee keer bij hem langskomt om wat ze op haar schedel heeft staan op orde te brengen. Op niet vooraf bepaalde tijdstippen schuift een aak door het landschap, een merel inspecteert het grind en boven het dak van het bedrijf aan de overzijde van de straat, waar ze eergisteren onder de bomen naast de parking het gras weggehaald hebben, schuiven de gordijnen open van een storing die sinds begin vorige week boven het landschap hing. 'Dag Laura,' zeiden ze in de boekenwinkel. Ik had er The Robber besteld, het laatste boek van Robert Walser, in de bejubelde vertaling van Susan Bernofsky, a quirky masterpiece of high modernism, ik citeer Bernofsky, a love story that unravels as it goes along, een boek waarvan de eerste zin duidelijk maakt, ook dat laat Bernofsky niet onvermeld, dat de lezer een labyrint wacht, een lectuur waarin het spoor ontbreekt van de betekenis die het hebben kon, of, om het op een andere manier te zeggen: Walser laat zoveel sporen dat het spoor van de lezer deel gaat uitmaken van het geharrewar. 53 jours, het laatste boek van Georges Perec, biedt een vergelijkbaar scenario: de plot van het boek is de persoon die het boek leest. Zodra de lezer zich voorbij de eerste zin waagt, gaat hij deel uitmaken van het boek. In de Veldstraat, waar ik op huisnummer 82 een dossier afleverde, zei een joch 'wacht even', tegen z'n vriendje, en toen nam hij een foto, met z'n gsm, van de tram die er niet was.

dinsdag 28 mei 2013

drek (3)

Uiteindelijk wou ik ook alleen maar weten of Smulz op het tafelblad had gekakt of niet. Wat de anderen er van dachten, interesseerde me niet zo. Had Smulz op het tafelblad gekakt of had iemand die niet wist dat ik maar wat graag van die drek had willen eten Smulz op andere ideeën gebracht. Het was een prachtige avond. We keken uit op het meer, waar bootjes dreven. In een van de bijkeukens zat Smulz op een meisje. Dat werd ons pas later meegedeeld. We smulden. Ik zat naast een dame die zei dat ze in Bratislava een concert van Smetana had bijgewoond. Dat is prachtig, zei ik. Van Bratislava wist ik niet meer dan dat het aan de Donau lag en van de dame dat ze naast me ze zat.

Niet in de platgekauwde cigarillo, waarvan hij van tijd tot tijd het mondstuk uitspoog, iets waar ook Smulz een patent op had, alsof hij het van Isaak Comento afgekeken had. Alleen maar om ze om te hakken en er sigarenkistjes en andere prullen van te maken had Comento op het sacre bordel, zoals hij de kasteeltuin noemde, twintigduizend populieren aangeplant. 's Ochtends kegelde ik de inhoud van de asbakken die her en der in het rooksalon op en naast het meubilair stonden in een kartonnen doos. De peuken van senhor Comento kon ik er zo tussenuit halen, ze hadden de eigenaardige eigenschap dat ze kleverig waren. Smulz lag op een dekentje voor het haardvuur, strikt genomen volmaakt onschuldig, gesmolten in de prachtige eenvoud van een zonsondergang die we geen van allen meegemaakt hadden. Wat ik zeggen wou, Isaak Comento, die twee dochters heeft en een secretaris die de pillerij voorschrijft die hij nemen moet, had een manier bedacht om niet helemaal toe te geven aan wat de Markiezin met hem van plan was: onder het gladgestreken snorretje kauwde hij op de sigaretten en cigarillos die hem toegestopt werden. Weerzinwekkend. Smulz deed het ook. Ze hadden een ritme. Als Smulz het deed, zat Isaak Comento voor zich uit te staren. Ze hadden een verdrag getekend, spuwden van tijd tot tijd het plat gekauwde mondstuk in het haardvuur, hadden het over Heidegger of andere dingen waar alleen met een brede, dartele grijns iets over te zeggen was dat bij grove benadering zinnig leek. Of als een van de meisjes opeens de kamer binnenkwam, op hooggeplaatste tenen.
De beat van Comento zat in het snorretje, vlak, zorgvuldig bijgeknipt. Op een keer, dat heb ik persoonlijk meegemaakt, stond de Gravin kotsend van tafel op. Geen stoppel durfde zich toen op haar schedel te plaatsen, zo hevig had de Gravin zich afgekeerd van wat ze het niet-verteerde noemde. Halfverteerde verwensingen kotsend verliet ze het tafelblad. Later die avond vertrouwde Isaak Comento me toe dat hij aan het tweede deel van Faust begonnen was. Ik lepelde de drek op een vorkje, stelde me voor dat ik in Parijs op een terrasje zat.

'Menier, zul ik oe,' zei, godverdomme, hoe 't ie heet, daar schrijf ik een boek over, een of andere commentilsappelloupopoulos, een Bulgaar, een Zotomaan of een Griek of hoe u het geval ook identificeren wil, iemand uit een geslacht van schapenneukers met een dikke snor onder z'n bargoense lul, want zo zag het ding er uit, iemand had z'n lul er afgeschroefd en met een mot gel op het klerelijersbakkes gepleisterd, zo weerzinwekkend zag het ding er uit. En terwijl ik dus twee keer nadacht over het spijtige voorval weerklonk een lachsalvo helemaal aan het andere eind van de tafel, waar de Markies vijftien dames te woord stond. De Markies, wie anders, of zal ik je wat vertellen, had er niet beter op gevonden dan de drek, een vijfentwintig centimeter lange drol, aan z'n vork te spietsen, en daar deden ze dus vrolijk over.

Later zei de dame dat niet Smulz, die zich weliswaar net zo goed van wat ballast ontdaan had, maar een zekere. Ze kon niet op z'n bonus komen. Welnu, zei ze, die persoon dus. Bonus zei ik, wat aardig zei ik. Dat zei ik alleen maar zei ze omdat ik opeens vergat wat ik had willen zeggen. Ach ach zei ik. Ach ach zei ze. Dus Smulz niet, zei ik, bijna alsof ik van plan was om de niet als zodanig bedoelde mededeling in het rapport op te nemen. Nee, zei de dame. Onder tafel botste ik tegen een obstakel aan. Veerde ik overeind, dan ontplofte een zachte zittoon. Excuseert u me, zei ik. Van wie tegenover ons aan tafel zat, kende ik alleen, hoe heet ie weer. Sprotokov. Maar die Sprotokov, realiseerde ik me, was hangend aan z'n eind gekomen en of het Smulz geweest was, deed er niet toe.

vrijdag 24 mei 2013

een bekend gezicht

Het leven is een leerschool, reden op overschot om er niet aan te beginnen. In scholen leer je alleen maar wat je niet leren moet. Wat ze je ook vertellen, ze maaien het gras onder de voeten vandaan. In Islamscholen: dat je in de drek van een demente godgeleerdheid geloven moet. Ze pompen het er in, meer weten ze toch niet. Of wat het kunstinstituut biedt, dat je in die drek geloven moet.
Om zelfde reden heb ik elke vorm van nomenclatuur als een signaal gezien om van op ruime afstand te onderzoeken wat het was en er, indien mogelijk, ver uit de buurt te blijven.
Met je neus op de feiten kom je niet aan onderzoeken toe. Het onderzoek begint met wat je niet weet, wat ze ook vertellen. Alleen met wat je niet weet, kom je tot kennis. Met wat je weet, rij je naar het containerpark.

Tony

Tony (betreedt een werkplaats waar iemand over een schroefbank gebogen staat): Maar, ik heb een probleempje...
De over schroefbank gebogen staande: Tony, nu niet.
Tony: Maar ik heb een steentje gevonden. (toont het steentje)
De heel even naar het steentje omkijkende: Ja, Tony, fantastisch. Het is mooi.
Tony: Maar dat is een probleem.
De over schroefbank gebogen staande: Tony... er is een probleem.
We hadden. Wat we hadden... euh... En, euh. Wat we niet hadden. We hadden geen. Geen 3D-printer. Iemand merkt op dat ze dat een monsterlijke uitvinding vindt. Zou het mogelijk zijn, vroeg een van de mee aanzittenden zich af, om met zo'n printer een dubbelganger te printen van, van Kamagurka bijvoorbeeld, van Birgitte Bardot, of van Marcel Duchamp, of. Van, euh, merkte iemand op, je bedoelt van Bardot uit... Ja natuurlijk, antwoordde ik, van wat anders. Misschien levert die 3D-printer er Jack Pallance bij, gratis. Maar we hebben geen 3D-printer, zei iemand. Wat die Liberator betreft, merkte de voorzitter op, dat pistool waar iedereen nu zo druk over doet, daar heb je niet eens een 3D-printer nodig voor. Hoezo, zeiden we in koor, geen 3D-printer voor nodig, verklaar. Hebben we toch niet, zei iemand. Ja, hoor eens, alsof we dat niet weten, zei ik. Het begon me danig op te winden. Nu we hier toch zitten, merkte Nancy opeens op, wie drinkt nog iets. Voorzitter, zeiden we, we bogen over het tafelblad, vertel op, voorzitter. Monsterlijk eenvoudig, zei hij, een buis met een binnendiameter van 9mm, een spijker, een kogel, een hamer of een elastiek, meer heb je niet nodig als je een pistool zou willen maken, daarvoor heb je echt geen 3D-printer van doen. Oef. We lachten. Maar stel nu, zei ik, ik wil een dodo, hoe doe je dat. Om wat met die dodo te doen, vroegen ze. Euh, zei ik, hoor eens, wat nu, opeten, wat anders kan je met zo'n dodo doen. Potverdraaid, zeiden ze.
'Tony...' We draaiden ons met z'n allen naar Tony om. Hij zat er niet. He, waar is Tony, zei iemand.

donderdag 23 mei 2013

avondjournaal

Wat het dagbladverschijnsel vandaag biedt: op Mars zijn sporen van aardappelteelt aangetroffen. In Bratislava, dat prachtige dorp aan het sap van de prachtige Donau, werd Karl Kralank, een hoogbegaafde jongen, in het concertgebouw tijdens de uitvoering van de derde étude van Frederic Chopin, waarvan, zoals we weten, zoveel geregistreerde uitvoeringen bestaan dat je er zonder tussenstop naar Vladivostok mee rijden kan, aan het klavier vastgenageld. Op de affiche hadden ze ook iets van Smetana en Mozart. De zaal zat afgeladen vol. Toen Kralank aan de derde étude van Chopin begon, betrad naar verluidt een van de klusjesmannen het podium, met een viseuse. Het optreden van de klusjesman werd op applaus onthaald. Zoiets hadden ze in Bratislava, in dat prachtige dorp aan het sap van de Donau, nooit eerder meegemaakt.

premisse

Ik ga braaf op toilet zitten en schijt. Als ik wat anders te doen heb, breng ik je op de hoogte. Mijn gsm-nummer is

woensdag 22 mei 2013

duidelijk

Ja, dit is duidelijk,
of niet soms. Het is... iets.
Hoera, hoera, hoera.

maandag 20 mei 2013

keuken

Ze reinigt het aanrecht. Een camera heb ik niet. Ik kijk, ik bekijk haar. Ze is de actrice in een film die ik niet hoef te produceren, er is geen script, niemand buigt zich over het project of merkt op dat er geen geld voor is. Ik film, kijk, bekijk haar en ze is alleen bekoorlijk, om dat woord te gebruiken, omdat alles wat ze doet, samenvalt met wat ik zie.
Nadat ze gedurende enige tijd met een vod over een plat vlak heeft staan wrijven, ze draagt een witte vest die strak om de halswervel sluit, verdwijnt ze uit beeld. (verdwijnt) Als ze een ogenblik toch weer in het beeldvlak opduikt

Ze plaatst een houten plankje op een toren van dingen. De toren is zonder identiteit. Potten, pannen, of andere dingen. (verdwijnt) Als ze een ogenblik later toch weer opduikt binnen het beeldvlak

Van twee dingen, die ik niet zou weten te benoemen, maakt ze één ding. Zonder regie-aanwijzing. Ze maakt er één ding van. Wat eerst twee aparte objecten was, is samengevoegd tot één ding. Ik film het profiel. Ze duikt weg onder het aanrecht, plaatst twee dingen die er als hoeden uitzien op het aanrecht. Wat heb ik me daarbij voor te stellen. Wat ze op het aanrecht plaatst, is een vorm die ik niet benoemen kan. Ze jaagt een vod over het aanrecht. (verdwijnt) Als ze een ogenblik later

Ze is met iets bezig. Uit wat ze doet, ze staat met haar witte rug naar me toe, is weinig af te leiden. Ik film. Ze neemt de zoutkoker, strooit het zout op iets wat zich buiten het beeldvlak bevindt, opent een oven, stelt de temperatuur bij, opeens is alles wat ze doet zoveel duidelijker, ze draait aan een knop en ze weet wat ze doet, niemand hoort haar uit te leggen wat ze te doen heeft, ze weet exact hoe heet het worden mag, stelt de knop bij, evalueert wat ze op de display ziet, geeft het dat tikje meer of minder, en als ze daarmee klaar is, grijpt ze naar een colaflesje. Ze plaatst het colaflesje aan de lippen, drinkt. Een ogenblik later kronkelen spaghettislierten boven het aanrecht. Ze stapt heen en weer tussen wat ze te doen heeft. (verdwijnt) Als ze

Ze tilt het ding hoog boven de keukenvloer. Later staat ze half uitgevlakt aan het aanrecht. Haar hand tast naar het zoutvat. Ik duik weg.

taak

Taak voor deze week: een opstel over het executieprotocol. Evolutionair: van de vastgoedzwendel elk dood exemplaar opgraven, de staat van ontbinding maakt niet uit, ze op karren naar Oostende rijden, voor zover ze niet in Oostende of aan de kust begraven liggen, in dat Syrië aan de Belgische kust, laat ze nog een laatste keer op een van de vele terrasjes aan de promenade plaatsnemen in het gezelschap van de ooit oogverblindend fraaie dochters, de zonen die het spoor van afbraak en ontbinding volgden, serveer de cocktail van het huis, kakkerlakken in het sap van darmstroom en wormen. Til Storck uit het lichtdrukmaal van wat Oostende ooit was, ga zoeken waar de man begraven ligt, graaf hem op, plaats een sokkel op de dijk, vlakbij die bocht van de Kursaal, plaats een ligzetel op de sokkel, voeg het geraamte toe, de schedel met holle blik afgewend van de elitetroepen op het strand.

the day Talibam! came to town

Matthew starts telling on a New York burger where they have burgers with real meat and doubts if one can taste the taste of a tortured animal.

Beyt al Tapes, wat zoveel betekent als het huis van de tapes, dineerde in Zanzibar in Beyt al Chai, Het Huis van de Thee, en zegt dat hij nooit beter getafeld heeft.

Van Matthew of Kevin bleef een leeg pakje menthol Davidoff sigaretten op de plank die als tafelblad dienst doet. Van iemand vernemen we dat ze dat vieze troep vindt. Iemand anders zegt dat hij eigenlijk best graag menthol Davidoff rookt. Ja, waarom niet, zegt de dame die eerst had gezegd dat ze 't vieze troep vindt.

'I am confused,' stamelt Kevin, nadat hij enige tijd heeft staan nadenken over wat ze morgen gaan doen. Dat herhaalt hij: I am confused. Hij weet wat ze morgen gaan doen. De verwarring heeft een andere oorzaak.

Piet vertelt dat hij in Istanbul was, hij had een bus gekomen, de bus reed door die wijk aan de Bosporus waar ze de beroemde moskee hebben. Een van kop tot teen in het groen uitgedoste moslim en een van kop tot teen in het zwart geklede dame betraden de bus. De bus zat tjokvol. Piet, die voorin de bus zat, stond van z'n plaats op en maakte duidelijk dat de van kop tot teen in het zwart geklede dame z'n zitplaats hebben kon. De in het groen uitgedoste moslim ontstak in blinde woede. Het werd zo erg dat de bus stoppen moest.

We tafelen in De Komkommertijd. 'Kevin disappeared,' merk ik op. Levi en Matthew zijn in gesprek. Waarover ze het hebben, herinner ik me niet. Kevin had de schotel met groentenbeignets, bulgur, fresh salad - waar je een lekker pikant sausje aan toevoegen kon - en tal van andere lekkernijen, in een mum van tijd naar binnen gewerkt.
'He went to the bathroom,' verduidelijkt Matthew. Het duurt nog eens vijf minuten voor Kevin weer aan tafel komt zitten en zich dit keer over een kom prei-andijvisesoep ontfermt.

Matthew zegt dat hij eerst in London was, net geen twee weken geleden, dan in Amsterdam en gisteren deed hij een gig in Berlijn. O ja, herinnert hij zich opeens, in Den Haag was hij ook. There's a squat in Den Haag, in the former ambassy of Congo. Nice. Daar deden ze het. In Den Haag heeft hij een maat die sonologie studeert. Kevin was in Parijs. Hij en Matthew hadden elkaar in London gezien en hadden er ook een concert gehad, maar daarna had hij in Frankrijk getoerd, hij was in Perpignan geweest en ook op een plek in Italië, 18 plekken in totaal, een trio met een bassist en een trompettist.
In croxhapox, zegt hij, doen hij en Matt dingen die ze helemaal nergens zouden kunnen doen. De vrijheid die ze in croxhapox hebben, is uitzonderlijk.

Ze wagen zich aan het Theatre Piece van John Cage en voeren een compositie van Tonio uit. That's my favourite, zegt Kevin. Ze doen een versie met twee cell phones. In principe heb je 't met een snaarinstrument uit te voeren, geeft Kevin toe. Toen Tonio het schreef, in 1963, had hij natuurlijk niet geweten kunnen hebben dat het net zo goed met cell phone kan.

I eat a banana, naturally, zegt Matthew. If you eat a banana you don't get a hangover.
So you eat a banana, zegt de ander.
Yeah, I eat a banana, zegt Matthew.

zondag 19 mei 2013

beton

Op de ring rond Antwerpen, 's nachts, een perforatie die we dit keer vanaf de E313 oprijden, een baan die begin jaren tachtig helemaal tot Zwolle liep, daar stapte ik steevast uit de auto nadat het beton, dat soms asfalt werd en ter hoogte van Zwolle in straatkeien veranderd was, een onverharde zandweg geworden was, wat ik later de weg van of naar Brouwers noemde, Guido had me verteld dat je om bij Brouwers te komen over net zo'n wegje rijden moest tussen bomen, soms een weide, prikkeldraad, en als het lente was stond er fluitekruid, en op de verzorgde landerijen zag je een koe soms, soms een paard, en vandaag denk ik aan wat onder dat beton gebeurd is, onder dit machtige, gladde slagveld, dat er toen een koe stond, de tentenkampen van een Frans legioen, dat een van de leden van de staff achter een struik hurkte en z'n gevoeg deed, dat een van de plekken waar we nu rustig overheen suizen een weide met paardenbloemen was, dat een jongen met blote, onvoltooide verzen in de vingers er door een verdwaald loodje neergemaaid werd, dat er een greppel was waar op een dag een meisje door een koetsman genomen werd, dat er koeien graasden, dat ik tegen een van die koeien aanrij, dwars door de darmen en ingewanden van het koebeest.

Andere tijd: Rousseau die zich in een koets over een hobbelige weg uit de voeten maakt.

zaterdag 18 mei 2013

et moi, et moi

poème tout petit
YF

Et moi, je ne sais rien que niks, c'est la faute à Gombrowicz,
Et moi, moi, j'ai, j'ai raté mon train, et c'est la faute à Toussaint,
Et moi! et moi! je suis tombé d'assez haut, sans doute à cause de Roubaud,
dans un trou de caca, et toute cette merde, personne s'en doute, c'est la faute à Duras.
Et moi! moi! et moi! je dansais toute nue le cancan avec une gourmette,
qui s'appellait Suzette Sazut, la sale crevette,
mais c'est pas sa faute, ça c'est la faute à Beckett.

vrijdag 17 mei 2013

drek (2)

Neem me niet kwalijk, zei ik. We tutoyeerden elkaar. Een papegaai waagde zich tussen de glaasjes met goudkleurige drek en in de tuin, waar sparren stonden, zat een van de honden achter het spookbeeld van een haas. We hadden het over Spinoza. De gastheer glimlachte minzaam. Het idee om het over Spinoza te hebben, het hier met een erudiet over hebben, of, en wat le Vicomte zei, dat ook Spinoza het alleen maar over stront had gehad, de stront van wat ons bezighield. Ik wist niet wat ik daar van denken moest. Het irriteerde me. Het wijf dat uit de keuken opdook, had als circusattractie kunnen werken, zo dik was ze. Had ik te applaudiseren, soms, omdat de gastheer me een half idee over de betekenis van het werk van Spinoza had voorgelegd, uit de doeken deed wat hij met dat halve idee van plan was en er een taak voor deze en alle volgende eeuwen van maakte, dat uit de stront geen knoop opgevist zou worden, geen vis, niets niemendal. Neem me niet kwalijk, zei ik. Probeer je voor te stellen, zei hij, neem me niet kwalijk, dat je uit die drek ook nog iets als Aristoteles op te vissen hebt.

woensdag 15 mei 2013

als jij me vertelt wat ik vandaag deed, vertel ik je wat jij deed

Je forme une entreprise qui n'eut jamais d'exemple, et dont l'exécution n'aura point d'imitateur. Die zin las ik voor het eerst in een boek van W. G. Sebald, waarvan de oorspronkelijke editie in 1991 door Residenz Verlag GmBH Salzburg und Wien uitgegeven werd. Het is de eerste zin van Confessions van Jean-Jacques Rousseau. Ik ging in De Blinde Reiziger langs, nadat ik een rapport had afgewerkt, iets wat niet wachten kon. Aan Sint-Jacobs kwam ik tot de vaststelling dat ze midden het rondpunt een berk hebben of in elk geval een boom met een stam die op die van een berkachtige lijkt. Van de platanen op het plein ken ik elke nerf, de verbuiging van het weefsel van de bultige takken, het licht dat in de bladeren speelt. De berk midden het rondpunt verbaasde me. En wat me net zo goed verbaasde, dat ik aan het stuur van een auto zat, dat ik gereduceerd was tot wat ik midden jaren tachtig vanop die uitkijkpost aan het plein zo potsierlijk vond, dat de machine waarin ik zat toen het delict van een oeverloos duidelijke twijfel had. Elke auto was er een teveel. Het plein en de bomen stonden boven die twijfel. Ik neem het rondpunt. In De Blinde Reiziger komt het gesprek op Marcel Duchamp en Johan Daisne.
Heb je Rousseau, vroeg ik. Dat wist Patrick zich niet te herinneren, of hij Rousseau had.
Van Confessions hebben ze een privé-domein, zei ik. Heb ik niet, zei hij. We deden lyrisch over la tombe de Duchamp. Twee dagen eerder hadden we aan de toog in croxhapox zitten pintelieren en toen had ik het om een of andere reden over het grafschrift van Marcel Duchamp gehad: D'ailleurs, c'est toujours les autres qui meurent. We hadden Van Swaef, die mee aanzat, tegen te houden, hij had 6 orvals op en leek van plan om nog diezelfde nacht naar Rouen te rijden, waar Duchamp begraven ligt.
Op het houten altaar, waarachter de boekhandelaar zit, stonden drie door Manteau uitgegeven volumes van Johan Daisne en hiermee kwam het gesprek op het huis aan de Leie, vlak bij de Watersportbaan, waar Daisne gewoond had. Patrick situeerde het in de villawijk tussen Europalaan en Leie, wist ook nog dat de tuinen van Johan Daisne en Achiel Mussche op elkaar aansloten, ze waren buren geweest. Van Daisne heb ik best wat gelezen, zei ik. M'n moeder had twee boeken die ze koesterde, tenzij dat een overdrijving zou zijn, de schade is niet langer op te meten, twee boeken waarvan ze niettemin meende dat ik er als knaap wat aan hebben kon, De Verwondering van Hugo Claus en Baratzeartea van Johan Daisne. In Baratzeartea pikt de auteur, die het plan heeft opgevat om naar het zuiden te rijden, het verhaal situeert zich begin jaren zestig als ik het goed heb, aan een kruispunt in Lille een lifter op. Samen ondernemen ze de tocht door Frankrijk. Ik heb Johan De Wilde best vaker anekdotes horen opdissen, over een plekje in Picardië bijvoorbeeld, die me voor de eerste lectuur van het reisverslag van Daisne plaatsten, alsof ik opnieuw in het boek las of er een fragment ontdekte van die eerste keer dat ik het gelezen had. De jongeman, die Daisne in z'n auto toelaat, ze rijden samen naar het zuiden, er wordt best vaak getafeld, ze bezoeken Baratzeartea, is een meisje, een jonge godin die zich als man vermomde.
Dus van Rousseau heb je niets, zei ik. Ik stond voor het rek met Franse literatuur. Hij kon zich niet herinneren of hij wat van Rousseau had. Ik haalde de leesbril uit het tasje. Twee grijswitte volumes hadden m'n aandacht getrokken.
Jean-Jacques
ROUSSEAU
Dat is er wat er stond: Confessions de Jean-Jacques ROUSSEAU, volume I, volume II, Classiques PLON.
He, zei ik. Patrick keek verbaasd naar me om. De confessions van Rousseau, twee delen, zei ik. Het bleek om een 3-delige editie te gaan, in 1930 uitgegeven door het Parijse PLON. Het eerste deel is opengesneden tot en met bladzijde 129. Het laatste woord onderaan bladzijde 129: Elle