woensdag 31 december 2014

de anoniemen

'Hoe vaak ik er ook over nadenk,' zei Mairena, 'ik zie gewoon niet in hoe individuen bij elkaar kunnen worden opgeteld.'
Antonio Machado, Juan de Mairena, uitspraken, grappen, suggesties en herinneringen van een onbekende leraar, IJzer 2014, blz. 7.

Het was flink laat op de avond toen (a) in de auto stapte, op straat was vuurwerk te horen zonder dat duidelijk bleek waar het geluid vandaan kwam, en merkte dat de voorruit aan de buitenzijde onder een dun laagje ijzel zat. Ook aan de binnenzijde lag een adiafane film over de ruit. Eerst probeerde (a) het dunne laagje met een papieren zakdoek weg te halen, wat niet lukte. Aan de buitenzijde gleden de ruitenwissers luidruchtig heen en weer zonder grip op het dunne laagje ijzel. (a) startte de motor, plaatste de knop van de heteluchtcirculatie met de punt op het icoontje waarvan ze wist dat het ruit bedoelde aan te geven. Als de motor lang genoeg bleef draaien zou de ruit opwarmen en het dunne laagje ijzel zou vanzelf verdwijnen. Dat gebeurde niet. (a) kroop uit de auto, haar linkerhand dook in de handtas, en snelde gewapend met de huissleutel over het voetpad. Opnieuw was vuurwerk te horen. Wat huizen verderop zeulde een buurmeisje met een fiets. (a) repte zich naar de keuken en wat later met een halve emmer heet water naar de auto. Toen ze weer aan het stuur zat, had zich opnieuw een laagje ijzel gevormd. Of was het laagje dat er al zat onvoldoende doortastend verwijderd? (a) besloot om niet te wachten op een plenaire zitting over deze kwestie, sprong uit de auto en wreef krachtig met beide handpalmen over de ruit. Dit leek te helpen. Toen (a) wat later met reeds half ontijzelde voorruit naar de brug over het water reed, vielen haar twee dingen op, op straat was helemaal niemand, geen hond, en toch was her en der het vuurwerk te horen. Vlak bij de gevangenis nam ze wat geld uit een bankautomaat. Hoe laat het intussen was, had (a) geweten kunnen hebben als ze op de dashboard-display gekeken had, wat ze niet deed. In een buurt die ze niet kende, hoewel ze ooit op een dag in de Korhoenstraat in de woonkamer gestaan had van iemand die er twee huisjes had, parkeerde ze de auto vlak bij de oprit van de nederzetting. De brede oprit betredend, merkte (a) een jonge vrouw die net een sigaret opgestoken had en bibberend en stampvoetend voor de gesloten deur van de nederzetting stond. Op het gelijkvloers was weliswaar licht, maar (b) was er niet in geslaagd om in dat licht iets aan de praat te krijgen dat op de aanwezigheid van soortgenoten wees. Met (b) gleed de generiek van een film van Eric Rohmer over de nederzetting. (b) spreekt Engels maar is française. Alleen een française had het Engelse idioom zo weten te hanteren dat het toch klinkt alsof ze Queneau dicteerde. Alleen een française zou de grondbeginselen van de taal van Shakespeare en Longfellow op zo'n sympathiek nonchalante manier verminken. Een Portugese jongedame zou de facto beter Engels praten, in elk geval met minder tongval, en een Griekse schoonheid zou het ongetwijfeld ook beter kunnen. (b) was van plan om te wachten tot de keet opende, zei ze. Mais c'est quelle heure, zei (a). (b) haalde het mobieltje boven. Halfelf, zei ze. Ze onderzochten de poort, staarden door de ruiten in het parterre van het enorme gebouw, waar wel licht was maar helemaal niemand te bekennen viel. (a) formuleerde het voorstel om in de auto plaats te nemen, waar het minder koud was, en te rijden tot ze een keet vonden, op dit blijkbaar veel te vroege uur, die toch open was. Het leek beter dan in de kou voor een gesloten deur staan. Ze doken in de auto, reden naar het stationsplein en ontdekten dingen die ze prettig vonden. Zo was het heel erg aangenaam om zonder ander doel dan het vinden van wat voor plek ook door de binnenstad te rijden en over de beginselen van (a) en (b) te kletsen, zonder dat het meer betekende dan de auto en het begin van enkele onschuldige en onbelangrijke bekentenissen. Aan het stationsplein zat alles potdicht. Uiteindelijk belandden ze in een keet met houten tafels, twee meisjes die zich al opgewarmd hadden en erotische muziek. (b) had opeens zin in gin. Ze formuleerde het als een ongemak. Het gesprek kwam op schilderkunst.

maandag 29 december 2014

modern

- En het is modern.
Ze zegt het zonder klemtoon, zoals ze en het is een vis gezegd zou hebben. Hij, de minnaar, zit met z'n rug naar me toe. Zij is een slanke brunette met lange armen, inktvisachtige dreadlocks en een korte froufrou, en een gezicht - nu ik besef dat ik haar wellicht niet eens zou herkennen als we elkaar morgen of overmorgen in nieuwe, andere omstandigheden tegen het lijf liepen - dat de gladde, oblonge vorm leek te hebben van de keitjes die ik op het strand van Griz Nez aangetroffen heb, volmaakt gladde keitjes die ik makkelijk minutenlang tussen m'n vingers heen en weer liet rollen zonder het minste spoor van hoek of rand.
De massieve rug van de jongen zit tussen ons in. Ik heb niet meteen de behoefte om lang naar die massieve rug te zitten kijken. Buiten, in de brijachtige duisternis boven het water, kringt af en toe een uit modder opgeborrelde luchtbel over het zwarte vlak.
'Er is geen schoonheid,' zegt de donkerblauwe sweater, één draderige dreadlock over de smalle rand van het kraagje, 'zonder spanning.' Hij heft een van de glazen die zich tussen hen in op de kleine, vierkante tafel bevinden, brengt het goudgele vocht aan de lippen. Ik heb Old Masters van Thomas Bernhard open op bladzijde 96. yesterday, nothing, lees ik, nothing at all. But because people find respect and esteem too difficult for them they admire, that comes cheaper for them, Reger said. Admiration is easier than respect, admiration is the characteristic of the dimwit, Reger said. Only a dimwit admires, the intelligent person does not admire but respects, esteems, understands, that is it. But respect and esteem and understanding require a mind, and a mind is what people do not have, without a mind and in fact totally mindlessly they travel to the
- Nu, het kan helpen.
Ze zegt het net zo emotieloos als alles wat ze tot nu toe gezegd heeft. Ik keek op van het boek, zat heel even naar de donkere sweater te kijken en beëindig nu toch eerst de zin die ik voor me heb, and in fact totally mindlessly they travel to the pyramids and to the Sicilian columns and to the Persian temples and sprinkle themselves and their dull-wittedness with admiration, he said. Ik kijk op uit het boek. In de gelagzaal zit nog een koppel. Ze zitten naast de trap, zelfs bijna onder de trap, hij exact op die stoel waar ik gisteren over een Blackwell gebogen zat. Ze praten niet. Hij is hongerig, zit met heen en weer wapperende benen voor het lege tafelblad.
'Hij zal niet slagen met die naam, dat lukt niet,' zegt de minnaar. Het in een kei veranderde meisje hangt boven het tafelblad, krabt haar voorhoofd, de dreadlocks.
'Dan kan je maar beter een naam als Roskam hebben,' zegt de minnaar. Zij zegt iets. Het lost op boven het tafelblad. 'Wel, Rocker is een naam,' zegt de minnaar, 'Opel. Opel is een naam.' Hij gaat leunen, steunt het te zware hoofd. Een kelner komt langsdoor, serveert twee borden. Haar mantel gaat uit. De kelner, die snel en zo goed als ongemerkt de trap naar het parterre nam, komt aanstappen met de ketchup. Als hij later 'en was het in orde' vraagt, zal de donkerblauwe sweater 'ja, het was lekker' zeggen. Aan de belendende tafel, onder de trap, hebben ze nu pas wat ze besteld hadden. De jongen leunt. 'Mah-hah-djeuh,' zegt hij. Een ogenblik later slieren de spaghettislierten om vork en lepel. Zelden zag ik iemand met zo'n apetijt. Hij schronkt zonder op te kijken naar de dame die met hem aan tafel zit, draait vork en lepel in de spaghettislierten, kiepert tabasco en peper over de maaltijd, smult aan zo'n tempo dat het niet bij te houden is, met elke hap hangen lange slierten uit z'n mond.
Aan de andere tafel heeft de minnaar net twee niveaus bedacht, wat hij duidelijk probeert te maken door de handpalmen horizontaal boven elkaar te plaatsen.
- Ze zijn alles aan het sparen.
Ze zegt het toonloos. Wat ze met alles bedoelt, zegt ze niet. Alles is veel. 'Dit is volgens mij niet normaal,' zegt ze. Wat een idee.
'Neem een kangoeroe,' zegt de minnaar. 'Als ge daaraan begint, zult ge het wel merken.'
- Ik heb het hen gezegd
zegt ze, toonloos. De stagiaires, de fundamentalisten die ze met zalf in te smeren hadden.
Aan de belendende tafel is alles opgesmikkeld. De jongen steunt het opeens loodzware hoofd op de linkerpols, nu hij kennelijk ook de dame, die zoëven nog met hem aan tafel zat, naar binnen werkte.

zaterdag 27 december 2014

film

Het begint met Wayne's World (2003) van Ryan Trecartin. Geen idee wat ik zit te bekijken. Hou ik geen twee minuten vol. Dan Art & Language with Red Krayola en Nine Cross and Conspicious Errors, een filmpje uit 1976. Claustrofobische setting, undergroundsfeertje. Groepje met twee vocalisten die één microfoon ter beschikking hebben en om beurten twee drie zinnen voorlezen uit wat een pamflet zou kunnen zijn. Ik zap naar Sentimental Punk van Kurt Kren, een draderig filmpje uit 1979, en krijg meteen daarna The Bukowski Tapes Part 1 uit 1985 voorgeschoteld, Barbet Schroeder die Charles Bukowski interviewt, waarvan ik alleen het eerste fragment bekijk. Schroeder die vraagt of Bukowski wat aan natuur heeft, bomen, gras, een park, bos. Begint Bukowski te emmeren, op een manier die door volgelingen en sympathisanten ongetwijfeld als hoogst vermakelijk ingeschat wordt, dattie er geen zak aan heeft. Van een boom gaat z'n pik niet overeind staan. Ik zap en beland bij The Sound We Make Together van Harrell Fletcher, een film uit 2003, dan het iets recentere People Like Us, Variations on Jem Fine's Slowpaper, van Vicki Bennett, en Pensiero unico, opnieuw uit 2003, van Cesare Pietroiusti, waarna Sonic Youth performing George Maciunas "Piano Piece #13 (for Nam June Paik)" volgt, de eerste bijdrage die ik uitkijk. Er is een parallel. Ik ben de hele dag met het aanmaken van doekjes bezig geweest, negen stuks, waarbij ik het met gesso geprepareerd linnen niet alleen aan de zijkant maar ook aan de achterzijde van de frame vastnagelde. Na Sonic Youth volgt Fear of Disclosure: Psycho-Social Implications of HIV Revelation (1989) with Phil Zwickler, van David Wojnarowicz, wat me niet weet te boeien. Ik zap, krijg Meringue Diplomacy van Terri Hanlon voorgeschoteld, wat me evenmin boeit. Wel is er een beeld dat me triggert, na de veel te lange en kitscherige intro: het sneeuwlandschap: iemand stapt door de sneeuw, maakt een spoor: Robert Walser. Spalding Gray en Alive from Off Center, Episode C, de derde episode, die uit 1985, kijk ik uit. Heerlijk. Na Spalding Gray volgt Food, een film uit 1972 van Gordon Matta-Clark.
Een uur later klik ik Ubu opnieuw aan en krijg ik Mothers van Toshio Matsumoto te zien, een kortfilm uit 1967. New York, Parijs, Viëtnam, Afrika. De montage is verbluffend, maar de film heeft misschien ook een iets te belerende teneur, was zonder het gemama een tik meer to the point geweest. Na Mothers van Toshio Matsumoto volgt People Like Us van Vicki Bennett waarvan ik niet nog eens dertig seconden bekijken wil, We, een film van Artavazd Peleshian, wat ik na verloop van tijd voor bekeken hou, en zo nog wat dingen die ik eigenlijk niet bekijken wil.


donderdag 25 december 2014

donderdag 25 december



Tien doekjes. Negen daarvan voor een multiple bedoeld. Acht formaten:

hoogte  breedte
32         27
33         27 x2
34         26
35         25
35         26
35         27 x2
35         28
37         28

Hoog neemt zeven spijkers van het type dat in bepaalde dialecten als kloefnagel bekend staat. Ook breed neemt zeven. Het doek wordt over de zijkanten aangespannen, wat met een kruisvorm begint. Het aanspannen gebeurt met een kleine, elegante nijptang die gewoonlijk voor het opspannen van pianosnaren gebruikt wordt. Het is een karweitje dat niet een twee drie gaat omdat het keurig moet. Het doek hoort bovendien met elke spijker bijna exact dezelfde spankracht te krijgen. Het de ene keer hard, daaropvolgend niet en daarna heel erg hard aanspannen is in principe niet zoals het hoort. Kleine formaten desondanks bieden het voordeel dat het wel heel erg slordig moet lopen voor het fout gaat. Alle hoogtes en breedtes samen neemt elk doek 28 spijkers, spijkers van het type dat in bepaalde dialecten zoals reeds opgemerkt als kloefnagel bekend staat, een woord dat de digitale Van Dale niet herkent. Het komt evenmin voor in de gedrukte versie hoewel ze daar wel het woord kloefletter hebben en met dit lemma doorverwijzen naar blokletter. Op basis hiervan aannemen dat wat in bepaalde, niet naar nader vermelde dialecten als kloefnagel uit de mond spat bij Van Dale als bloknagel bekend staat, ligt zo voor de hand dat verbazing wekt wat op bladzijde 464 van bovenvermelde editie, in het eerste deel van de veertiende, herziene uitgave, onder bloknagel valt:

bloknagel (de (m.)) pen van ijzer of van pokhout, die als spil dient voor een blokschijf

Zou het gebruik van bloknagels vaagweg niet tot de veronderstelling leiden, aangezien niet getwijfeld worden kan aan het tot in alle bijzonderheden correcte van bovenvermelde definitie, dat een in de coulissen van het contemporane discours aanbeland stuk onbenul alsnog toch tot inzicht kwam en van zijn bloknagel een perforatief statement maakte? Nee. Deze overweging is om meerdere redenen ridicuul. Ongetwijfeld heeft ooit iemand het statement bedacht en ook uitgevoerd om tijdens het gloedvolle moment van de vernissage in een poepsjieke galerie elk werk dat onder de uit tal van holen en spleten opgedoken belangstellenden een koper vond net door die koper met een geweer aan flarden te laten schieten.

Zes is het aantal doeken dat zich, wat makkelijk uit de situatie in het atelier af te leiden viel, op de vloer bevindt. Vijf het aantal dat als een trommelvel aangespannen in een jasje van gesso kwam. Van dit aantal bleef vier toen bleek dan een van de doeken niet aan de vereiste voorwaarden voldeed. Drie hiervan stonden tegen elkaar gestapeld en twee hiervan met canvas dat voorbij de zijkant stak. Eén doek voldeed aan het blanco en de rugzijde van het blanco.

Regen jaagt over het erf.

woensdag 24 december 2014

kerst

Most people, on the other hand, are incapable of caricaturing, they observe everything to the bitter end with their terrible seriousness, he said, it never occurs to them to caricature them, he said. You go to an audience of the Pope, he said, and you take the Pope and the audience seriously, moreover for the rest of your life; ridiculous, the history of the papacy is full of nothing but caricatures, he said. Of course, Saint Peter's is great, he said, but it is still ridiculous. Just step into Saint Peter's and free yourself completely of those hundreds and thousands and millions of Catholic lies about history, you do not have to wait long before the whole of Saint Peter's seems ridiculous to you. Go to a private audience and wait for the Pope, even before he arrves he will seem ridiculous to you, and of course he is ridicuous when he enters in his kitschy white pure silk, everything in the Vatican is ridicuous once you have freed yourself of the Catholic lies about history and of the Catholic sentimentality about history, of the Catholic officiousness about world history. Think of it, the Catholic Pope as a shrewd globetrotting puppet, wearing make-up, sitting under his bullet-proof glass dome, surrounded by his make-up-wearing and shrewd super-puppets and under-puppets, how revoltingly ridiculous. Talk to one of our last and still-lamented kings, how ridiculous, talk to one of our blinkered communist leaders, how ridiculous. Go to the New Year's reception of our garrulous Federal President who, with his senile father-of-the-state babbling, makes a hash of everything he talks about, it is ridiculous enough to make you sick.

Dit fragment uit Old Masters van Thomas Bernhard(1) is voorlopig het enige dat ik vond om een van de meest idiote avonden van het jaar op gepaste wijze met een voetnoot te bedenken. Kerstavond was ooit de met kastanjes klaargemaakte kerstkalkoen van Bobonne en de cadeautjes, die na verloop van tijd wat van het aura verloren, na weer een set zakdoeken terwijl we stiekem op een wat meer avontuurlijke ingeving van de oudjes hadden zitten wachten, wat er pas kwam toen ze opeens in de smiezen kregen dat er mot zat in die familiale prefab-catechese en we tegelijk over zoveel zakdoeken en sokken beschikten dat overwinteren op Antartica niet langer onmogelijk bleek. Het werd eigenlijk pas interessant toen de kalkoen opgevreten was en nadat ook het servies van tafel verdween de kaartavond begon, dat waar het ook de oudjes om te doen was omdat ze toch niet meer te zeggen hadden dan wat ze al een miljoen keer gezegd hadden zonder dat het tot wat anders kwam dan het nog eens te zeggen. Manille kwam iedereen beter uit. De mooiste kerstavonden waren die avonden die ik in halfslaap doorbracht, met het andere kleine grut naar bed gestuurd toen de lui die het voor het zeggen hadden het opeens welletjes vonden, en in de kamer in het benedenhuis de stemmen bezig bleven.

(1) Thomas Bernhard, Alte Meister/Old Masters, p. 92-93; Penguin 1989.

zondag 21 december 2014

zondag 21 december

Een stukje vis in twee stukken snijden. Aan het ribstuk knauwen. Het wijnglas optillen, het naar de lippen brengen, het heel even met de lippen aanraken en pas veel later toch een slok nemen. Een bierglas poetsen. Het bierglas tegen het licht houden. Met grote aandacht de volle ronding van het glas bekijken. Besparen? Waarop zou iemand met een villa in Toscane te besparen hebben. Verkwisten bedoelen ze.
Reeds tijdens het verlaten van het heelal stak de meester een sigaret op, keek om naar het sterrenstelsel en de manen van Saturnus. Aan tafel wisten ze dat hij zo achter elke vrouw aanliep. Of de dame lang, dik of dun was, had weinig uitgemaakt. Hij stak een sigaret op, keek naar het heelal, dacht aan The King, ongetwijfeld alleen maar omdat een van de studentes Solomon heette.
Nu u het zegt, merkt een van de tafelgenoten op, het was wel een heel erg speciale man, vind ik. U heeft er les van gehad, vraagt hij beleefd.
Het glas met gepaste snelheid zo hoog tillen dat het exact tot de lippen reikt. Pas toen hij voorbij Saturnus naar de uiterste rand van het sterrenstelsel stapte en achtereenvolgens in alle zakken van wat hij aan had getast had, besefte hij dat de sleutel aan de binnenzijde van de voordeur stak. Met de snelheid waarmee hij door het luchtruim schreed, was hier niet op terug te komen. Van beide stukken die hij geweest was, had hij nu alleen het minst belangrijke, een verkwisting die hem buitensporig voorkwam. Hij keek om naar het heelal, plette de peuk tegen een steenbrok. Aan de snelheid die hij had, was hij ongetwijfeld net op tijd om ongeveer op ooghoogte de derde etude van Frederic Chopin te bestellen. Is uitverkocht, kermde de stem.

zaterdag 20 december 2014

zaterdag 20 december

Pissen, wassen, scheren, hydraterende gezichtscrême aanbrengen, aan reet krabben, tanden poetsen, aankleden, de laptop van slaapkamer - waar ik 's nachts naar Journal d'une fille de chambre van Bunuel heb liggen kijken - naar woonkamer transporteren, anderhalve bladzijde in Old Masters lezen, a Penguin edition, translated from the German by Ewald Osers, page 81 for instance: We had many beautiful, expensive paintings hanging on our walls, he said, but they never looked at them once in all those decades, we had many thousand of books on our shelves but they never read a single one of those books in all those decades, we had a Bösendorfer grand piano standing there but for decades no one had played it. If the lid of the piano had been welded shut they would not have noticed it for decades, he said. My parents had ears but they heard nothing, they had eyes but they saw nothing, they probably had hearts but they felt nothing. Een kop groene thee. De trap naar het benedenhuis. De laptop activeren. Voor het tuinraam plaatsnemen. Hond blaft. Voor de laptop plaatsnemen. In de inbox het trefwoord joris aanbrengen. De plek en het tijdstip noteren. Waarschoot, 11u. Het schoeisel. Zwarte hakken van krokodillenleer. De paarse mantel. Voering mantel gescheurd. De muts. Nadenken over een wat eleganter hoofddeksel. Het openen van de voordeur. Over het zanderige voetpad naar de auto stappen. De auto achterop over het brede voetpad manoeuvreren. De laadruimte openen. Het tillen van dozen. Elke doos bevat negen exemplaren van Careful Dressage, crox-boek nummer 19. Handtas, sleutel, muts. Het huis afsluiten, in de auto plaatsnemen. Twee bochten en drie hoeken verderop: een bakkerij. Een broodje vissalade. Met alles? Met alles. En garnaal. Met alles? Met alles. En één boule de Berlin. Weet u, verklap ik aan het meisje, een boule de Berlin is zo lang geleden dat ik niet eens weet hoe lang geleden. Met slagroom, vraagt ze. Nee, niet met slagroom. Met crême. Een boule de Berlin met crême, zegt ze. Weet u, zeg ik, dat is zo lang geleden dat ik. En ook nog twee croissants. Graag. Dank u. Nog iets? Dit is alles. Dank u wel. Aan het stuur van de auto plaatsnemen. Oef. Twee straten verderop, aan het kruispunt van de Sport- en de Patijntjesstraat, neem ik linksop. Ik neem een broodje uit de zak waarin zich het broodje met garnaal- en het broodje met vissalade bevinden. Welk broodje is het, dat met garnaal- of dat met vissalade? Geen idee. Aan het eerstvolgende kruispunt, waarna ik als gepland langs de watersportbaan naar het kanaal tuf, springt het licht op oranje zodat ik alle tijd heb om de folie van het zorgvuldig ingepakte broodje te verwijderen en een eerste hap te nemen. Garnaal. Dan nog een hap. Opnieuw garnaal. Jammer. Aan het kanaal rij ik net voor een emmergroene camionette de R4 op. Het landschap. De landschappen. Bomen. Op het water ligt een aak. Meeuwen. Voorbij nog een kanaal, waar de autoweg eerst breder en dan opnieuw smaller wordt, neem ik richting Eeklo. Deze weg ken ik op m'n duimpje. Toen ik voor de belastingen werkte en met worst, tomatensoep en bloemkool naar het kantoor van de douane reed, passeerde ik behalve op zaterdag en zondag elke dag voorbij de tussen hagen verstopte krantenwinkel, de Griek aan het kruispunt met replica's van goden en godinnen, wat verderop een bazaar en met elk kruispunt in het landelijk gespin huizen, villa's en nederzettingen die in het gestolde surplace in de niet te benoemen tristesse van het landschap druipen. In Waarschoot zoek ik een plek waar ik de auto laten kan zonder een uur later tegen de reeds als zodanig ingeschatte parkeerboete aan te kijken. Ik betreed de kerk, waar vandaag Michel Van der Borght begraven wordt. Ik neem helemaal achterin de kerk plaats. De dienst zou tien minuten eerder begonnen zijn. Een dameskoortje treedt aan. De liturgische verplichting is dermate geflipt dat ik na verloop van tijd om me heen begin te kijken. Op gegeven ogenblik gaat opeens iedereen overeind staan. Ik blijf zitten, heb van nature geen zin om aan de liturgische verplichting deel te nemen. Ik ben er alleen voor Michel Van der Borght, voor Monique, voor Joris en Nancy, niet om als een mekkerende geit aan de liturgische verplichting deel te nemen. Na de offerande, of hoe ze het ook noemen, komt Hugo naast me zitten. Aan het eind van de dienst spreken enkele van de nabestaanden de overledene toe. Met vochtige stem vertelt Monique dat ze veel reisden en dat de laatste reis die ze samen deden hen naar het bloemeneiland had gebracht. Lena herinnert zich een zwempartij. Joris neemt het woord. Hij herinnert zich hoe Michel en hij met een zelfgemaakte hengel op zee gingen vissen, de oldtimer die hij van z'n vader cadeau kreeg, dat Michel hem geleerd had hoe hij beton gieten moest, de hut die ze bouwden. I am strongely against it, antwoordde Woody Allen, toen ze hem vroegen wat hij van de dood vond. Persoonlijk vind ik zo'n liturgische begrafenis volstrekt overbodig. Vissen, giraffen en olifanten sterven zonder. Van de overledene hoort met jolijt en grote vreugde afscheid genomen te worden.
Na de ceremonie stond ik gedurende enige tijd naar het overblijfsel van de oude kerk te kijken.

donderdag 18 december 2014

donderdag 18 december

Het begint op verzoek van grote teen die een kriebeling voelt. Ik heb het trage idee dat ik weet of niet weet wat grote teen met die prikkel bedoelt.
Ik kruip uit bed. Buiten is het luide, rommelige geluid van een betonmolen. Ik stommel door een smalle, naakte ruimte, hoog in het trappenhuis toont een raam het licht van de trage ochtend, beland in de badkamer, open het licht en de badwaterkraan. Na dit verre van luidruchtige verzoek sta ik naakt in de kleine badkamer, monster het spiegelbeeld, het blote torso, het sympathieke gezicht, ik krab aan m'n reet, voel een prikkel net onder het schouderblad ter linkerzijde, waarna ik om een volstrekt onbeduidende reden zo hard aan m'n reet krab dat ik in Kaboel beland. Laten we niet moeilijk doen. In Kaboel geen lekkere meiden. Dat is er om wat voor reden ook verboden. Jammer. Zou de Islam reeds in aanvang vergeten zijn hoe het met de bilspleet moet? Dat je je van tijd tot tijd ontlasten moet. Dat zelfs de godgeleerde van tijd tot tijd naar achter moet en dat de tijd die ons rest niet verspild hoort te worden aan dat het niet mag. Alles mag. Ik staar naar het grappige spiegelbeeld, scheer me, buiten is een grappige buitenwereld met lijken aan naakte boomtakken.

woensdag 17 december 2014

woensdag 17 december

De dag staat in het teken van de boekpresentatie van Careful Dressage, crox-boek nr 19, een werk van Dirk Zoete.
Tijdens de boekvoorstelling, in de bibliotheek van Muziekcentrum de Bijloke, verspreek ik me niet, aan het talrijk opgekomen publiek geef ik mee dat crox-boek nr 19, dat van Dirk Zoete, wellicht het laatste crox-boek is. Min zeven komma vijf verspilt de huidige en bij voorkeur zeer voorlopige negering aan activiteiten zonder publieke inhoud whatever.
Ik breng de Vrienden van het crox-boek te berde. 's Ochtends vroeg was ik onder vreselijke omstandigheden wakker geworden. Trucks reden piepend, kermend en remmend over een belendend terrein. Godverdomme. Ik schrok wakker, keek op het klokje. Halfzeven. Ik draaide me in het donsdeken, probeerde de herrie niet te horen maar dat lukte niet.



Ik rij naar croxhapox waarbij ik de ring vermijd omdat daar tegenwoordig ellenlange files staan. Die files hoeven er niet te staan, er zijn veel teveel auto's natuurlijk, maar de files zijn toch vooral een probleem met de instantie die over de verkeerslichten beschikt. Niet goed afgesteld of misschien zelfs kwaadwillig zo afgesteld dat er vanzelf files ontstaan. Ik heb geen idee hoe ze het doen, rij de Bijlokesite op, parkeer vlak voor de ingang van het Muziekcentrum. Ook Dirk was later dan hij verwacht had.
We nemen een foto.




dinsdag 16 december 2014

dinsdag 16 december

Des ochtends gewekt door het gebrul van een rijdende betonmolen, draai ik me in het donsdeken en zie de schaduw van een vertrouwde schim, op naaldhakken en kortgerokt stapt ze ver voor me uit over het voetpad in een onbekende stad. Toen we het samen hadden, droeg ze boots en strakke jeans en sprak ze duidelijke taal, naakt in de kamer waar ik met het minder duidelijke lichaam van een vel papier bezig was. Haar gedrag verbaast me, nu ze op naaldhakken en met blote dijen voor me uit stapt aan een verre rand van het wegdek en ik tot niet meer in staat blijk dan mijn meest voor de hand liggende identiteit, de schaduw van het keitje.
Het geraas van de vrachtwagen maakt me wakker. Vlijtig ochtendlicht danst in de kamer op het eerste. Ik vervloek het geraas, draai me om, wentel me in de doffe duisternis van het donsdeken en in de donkere schacht van het reeds vergeten moment staat ze opnieuw aan de andere kant van de weg, neemt opnieuw een andere weg. Ik ren over het voetpad. Ik ontwikkel een ontzaglijke snelheid. Ik ren, het is prachtig. Geen schaduw bleef van wat ze deed. Ik staar naar het voetpad en zie opeens alleen het voetpad. In het ochtendlicht zie ik de muren van de kamer. Ik kruip naar het begin.

drek

Epidemiërende erwt met eerlijkheidstekort, feitelijk onbekwaam, epiflaneert ontadeld met everzwijnse eikeldunk in ersatzpolitieke emmerklucht.
Een vet varken, een lompe boer, een vuilniszak in maatpak en dat is van wat het pinakel? Van vuiligheid, van windbuilspraak, van gore schetenlaterij.
Een is 't er of zijn 't er twee, of drie of vier, sinister aan elkaar gewaagd. Vuilniszakken in hypocriet maatpak, catastrofaal ongelikt. Strontlikkerij, politiek geruk, publieke coprofagie,
in het journaal natuurlijk, waar het serveren van de buitenproportionele, goddelijke hoeveelheid drek een oude driemaat plakt.

donderdag 11 december 2014

camino

Net voor de zomer vertrok Henk naar Compostella. Geschrokken van het gure weer, nu hij sinds ruim een maand weer in Gent vertoeft, wijdt hij uit over de camino. Ik vraag of hij iets uit Compostella weggehaald heeft, een spoorwegbrug, het lege sigarenkistje dat hij in een kamer aangetroffen had kunnen hebben, het twijgje van een berk, een zandkorrel, de lege schelp, een foto aan het strand, de zich tot ze hem ontmoette aan jezus toegewijde dochter van een kleine crimineel of een papiertje of een kei wat hij aan de rand van de weg gevonden had kunnen hebben. Nee. Wel heeft hij geen kei toegevoegd aan de berg met keien, waar lui die op Compostella stappen sinds begin jaren zeventig van vorige eeuw maar wat graag wat achterlaten, een puinhoop die zich overigens vlak bij een departementale weg bevindt en waar voorts helemaal niets te beleven is. Dat het ritueel van de route naar Compostella reeds in zestiende aan belang inboette, is bekend. In Soulac, op een van de alternatieve routes, hadden ze in de veertiende eeuw een kathedraal die eind achttiende eeuw in een ruïne veranderd was. Het is Franco, vertelt Henk, die de route zo belangrijk leek te vinden dat hij er een staatszaak van maakte. De route is pas weer op gang gekomen toen Franco er zich eind jaren zestig mee bemoeide. Tegenwoordig is het een volksverhuizing.
Van Gent naar Puy-en-Velay ging het aan een slankengangetje. Vaak deed hij niet meer dan 15 kilometer. Hij had ook uit te zoeken waar hij overnachten kon omdat dat in Frankrijk, waar de camino La route Saint-Jacques genoemd wordt, niet voor de hand ligt. Alleen in Spanje is de camino zo rigoureus uitgebouwd dat je er na elke vijf kilometer een herberg hebt. Tot Puy-en-Velay, toen hij dagelijks 25 kilometer deed, had hij hoogstens drie vier andere trekkers ontmoet. Dat veranderde in Puy-en-Velay. Na Puy-en-Velay bleek hij zich in een dorp te bevinden dat elke dag weer wat meer zuidwaarts schoof. Hij kwam steeds vaker lui tegen die hij een dag of twee dagen eerder ontmoet had. Na verloop van tijd, voorbij de grens met Spanje, ontmoette hij mensen die wisten wie hij was omdat andere wandelaars het over hem hadden gehad. In het zich van plek naar plek verplaatsende stadje was hij berucht geworden omdat hij er flink tegenaan ging. Hij deed meer kilometers dan wie ook. Binnen het richting Compostella schuivende stadje was er een reikwijdte van twee dagen. Binnen de reikwijdte van die twee dagen kon je elke dag een van de stappers ontmoeten die je enkele dagen eerder ontmoet had. Binnen de permanente volksverhuizing kwamen zo aparte units tot stand, lui met wie hij bevriend raakte, anderen met wie hij dagenlang optrok. Zodra hij zich op Spaans grondgebied bevond schoot het op trouwens. De route naar Compostella is er berekend op oudjes en rolstoelpatiënten. Vaak stapte hij aan de rand van een autosnelweg. Auto's schoten over het wegdek.
In Compostella nam hij de trein terug.

woensdag 10 december 2014

woensdag 10 december

In een of andere krant lees ik dat ik Orlando van Virginia Woolf gelezen zou moeten hebben. Ik lees dat het haar meest toegankelijke boek zou zijn, dat het epos 300 jaar neemt en dat het mannelijke hoofdpersonage, Orlando, ergens halverwege die 300 jaar in een vrouw verandert. Apart from the Diary, waarvan ik sinds eind jaren tachtig het vierde en vijfde deel bezit, in Penguin edities die midden jaren tachtig uitgegeven werden, heb ik nog een aantal boeken van Woolf en slechts in drie daarvan heb ik gelezen, The Waves, Between the Acts en Books and Portraits. The Diary Volume III heeft een stempel op de achterzijde van de titelpagina: AFGEVOERD. Het volume heeft deel uitgemaakt van de Gentse Stedelijke Openbare Bibliotheek die eind 1996 een omvangrijk assortiment van de hand deed wat Broadbent, die toen al of niet toevallig in Gent was, niet ontgaan was. De stempel van de stadsbibliotheek is bleek gezet en werd drie keer van een notitie voorzien: Enge 851.6 WOOL (bovenaan), 134849-3 (ter rechterzijde) en 83/9918/H (onderaan), wat gezien de publicatiedatum van het boek wellicht de vroegste verwijzing is naar de classificatie waar het boek tot 1996 deel van uitmaakte. Mrs. Dalloway, a Triad GraftonBooks editie uit 1976, Reprinted nine times, open ik voor het eerst. Ik lees de eerste zin: Mrs Dalloway said she would buy the flowers herself. Uit het gele vignet op de achterzijde, waar rood op geel de mededeling unverb. Preisempfehlung staat, valt af te leiden dat ik het boek in Duitsland gekocht moet hebben. Orlando heb ik niet en van veel boeken die in mijn bibliotheek ingekwartierd werden en er gerieflijk en kameraadschappelijk acht verdiepingen hoog naast elkaar staan, weet ik dat ik er geen woord van las, hoogstens de eerste, soms de laatste zin, soms een halve bladzijde, 70 bladzijden als het meeviel.
Coriolanus bijvoorbeeld, van William Shakespeare, een uitgave van de Bezige Bij uit 1960 met Ko van Dijk op de cover, als Coriolanus, de vertaling is van Bert Voeten:

               EERSTE BEDRIJF

       Eerste Toneel. Rome. Een straat.

/Een troep opstandige burgers op met stokken, knuppels en andere wapens/


               EERSTE BURGER
Voor we verder gaan, mannen, luister naar me.

               ALLEN
Spreek, spreek!

               EERSTE BURGER
Zijn jullie allemaal vastbesloten liever te sneuvelen dan te verhongeren?

               ALLEN
Vastbesloten!

               EERSTE BURGER
Jullie weet 't: Caius Martius is de voornaamste vijand van het volk.

               ALLEN
Weten we, weten we!

               EERSTE BURGER
We slaan 'm dood, dan kunnen we zelf zeggen wat 't graan mot kosten. Akkoord?

               ALLEN
Niet meer over kletsen; doen. Kom mee, kom!

               TWEEDE BURGER
Een enkel woord nog, goede burgers...

               EERSTE BURGER
Slechte burgers vinden ze ons; de goeie, dat zijn de patriciërs. Als de grote heren alleen maar afschoven wat zij niet meer op kunnen - zolang 't nog eetbaar is! - zouden wij al gered zijn en blij toe; maar zelfs dàt zijn we hun niet waard. Ze motten onze ellende zien, ze motten zien hoe wij kreperen, om precies te weten hoe warm zij er bij zitten; onze nood is hun winst. Laten we er op los gaan met onze knuppels voor we zo mager zijn als latten; en de goden weten dat ik dit niet zeg uit dorst naar wraak, maar uit honger naar brood.

               TWEEDE BURGER
Waarom ben je zo gebeten op Caius Martius?

               EERSTE BURGER
Hij mot er 't eerst aan; hij blaft het hardst tegen de gewone man.

               TWEEDE BURGER
Ben je vergeten wat voor diensten hij zijn land bewezen heeft?

               EERSTE BURGER
Waarachtig niet, en wij zouden 'm daar graag voor bedanken; maar hij heeft onze dank niet nodig, hij stikt al in z'n eigen trots.

Ik sla het boek dicht, veer overeind en stap naar de bibliotheek, berg het op exact daar waar ik het aangetroffen had. Shakespeare. Zeg ik dit opgelucht of met een zucht omdat sinds de bard het schreef geen eind kwam aan de hondse klucht? Om te weten hoe het afloopt met die Caius Martius, heb ik Coriolanus niet eens uit te lezen. Demagogen en schurken weten het volk makkelijk met hun glibberige krompraat te strikken, niet omdat ze buitengewoon intelligent zouden zijn, maar omdat het volk een samenraapsel van achterlijke nietsnutten is, net zo schraperig en inhalig als de schurken en demagogen die ze eerst bejubelen en later, als het goud de pot niet spekt, uitspuwen als pekschuim.
Sinds het Pleioceen zijn er op wat verlichte en lichtzinnige geesten na, dag aan dag op die ene hand te tellen, geen lui geweest die iets zinnigs deden met de macht die ze opeens hadden, net zo vaak omdat ze voor ze de macht grepen en de hongerige idiotie van het plebs aanzwengelden tot holle razernij toch al niets te vertellen hadden.
Van een verlicht heerser hebben we aan te nemen dat hij niet over het volk heerst om daar zelf beter van te worden. Hij woont niet in een villa of een paleis maar in een hut ergens in een buitenwijk. Zijn belangrijkste activiteit is geestelijke reinheid, zijn belangrijkste kwaliteit om beslissingen te nemen die het geheel aanbelangen zonder ook maar één detail over het hoofd te zien van wat binnen dat geheel belangrijk is. Hij is despotisch, wordt althans in blaadjes die bij voorkeur de holle retoriek van het rechtse discours bejubelen als zodanig benoemd, vooral sinds hij termen als inflatie en indexsprong naar de prullenmand verwees.

In de auto is er alleen het landschap. Wat in de kwaliteitskrant een ogenblik eerder zwart op wit stond alsof het bewezen was, glijdt van me af. In de prullenmand van het landschap rij ik zuidwaarts.