dinsdag 10 mei 2011

A

Vandaag las ik in Austerlitz van W. G. Sebald over een stam met een lexiconografisch vocabulaire dat zich grof geschetst tot één klinker beperkt, de A.

Hij nam hun gewoonten aan en stelde zo goed en zo kwaad als het ging een lexicon op van hun taal, die bijna alleen uit klinkers bestond en vooral uit de klank A in eindeloze variaties van klemtoon en accent, en waarvan, zoals Simon schrijft, in het Instituut voor Taalwetenschap in Sao Paulo niet één woord was opgetekend. Later, in zijn vaderland teruggekeerd, begon Novelli te schilderen. Het hoofdmotief waarvan hij zich daarbij in telkens nieuwe vormen en samenstellingen bediende - filiform, gras, soudain plus épais ou plus grand, puis de nouveau mince, boiteux - was dat van de letter A, die hij in het door hem opgebrachte kleurvlak kraste, nu eens met potlood, dan weer met de steel van een penseel of een nog grover instrument, in dichte rijen die soms over elkaar heen liepen, steeds hetzelfde en toch zich nooit herhalend, stijgend en dalend in golven als een lang aangehouden schreeuw.

Dat heeft Sebald ongetwijfeld verzonnen. Toch ga je gauw aan Vlaanderen denken, eigenlijk, ook.
Hersenloze sukkels gaan aan politiek doen, roepen, schreeuwen. Hersenschimmel en talloos veel andere kwaaltjes hebben van het politieke apparaat een golem gemaakt en die golem heeft intussen zoveel zinloos gewicht dat lukraak alles en nog wat onder het geweld vertrappeld wordt.

Geen opmerkingen: