donderdag 19 juli 2012

sex en spice

Branson wil Virgin Records terug. Wat hebben we ons daar bij voor te stellen, Sex Pistols en Spice Girls, rotzooibandjes. Maak werk van die intergalactic transit zone, Branson, dump je branie in die beerput, dan zijn we het in het beste geval ook van de herrie verlost. Sex en Spice op Mars, dat is het ding, Branson.

woensdag 18 juli 2012

toch

(d) Fränk Schleck stapt uit Tour na positieve controle, lees ik. (b) Mariani stapt op uit Dexia en ontvangt een premie van 600.000 euro. Uit (d) + (b) leid ik af dat Fränk Schleck toch de Tour de France wint.

vinger in de bron

(a) In bijna een op de twee gecontroleerde horecazaken stuit de sociale inspectie nog steeds op zwartwerk, lees ik. (b) Mariani, CEO van een bank die na faillissement gauw van naam veranderde, ontvangt een opstappremie van 600.000 euro. Belfius heten ze nu. Dat staat intussen ook al op de truitjes van Club Brugge: Belfius.
Uit (a) + (b) leid ik af dat het Ministerie er hoort op toe te zien dat in de kantine van Club Brugge voortaan alleen zwartwerkers tewerkgesteld worden. Pas maar op, het duurt geen seizoen of bij Belfius zitten ze weer met de handen in het haar. Ik stel voor om een Vereniging voor recht op zwartwerk op te richten en Mariani als gedelegeerd bestuurder aan te stellen. In het stamlokaal van het VOROZ komt op een goed zichtbare plek een portret van Osip Mandelsjtam te hangen. Zwartwerkers, mijnheer, houden van dat beetje paradox: 14° kamertemperatuur het hele jaar door en Mariani in onderbroek. We gaan geen faculteit oprichten, of wel soms, om nulliteiten het onderscheid tussen (a), (b) en (c) duidelijk te maken.

maandag 16 juli 2012

vlek

Zoveel is duidelijk. De vlek handbron hadden ze geen van allen aangeraakt. Maar gaat u toch zitten, Paarhus, had Ilop gezegd, maar u gaat toch zitten, Paarhus, want hij had het inderdaad twee keer gezegd en hij zei het nog een keer. Ik heb een zweer op m'n gat, zou Paarhus geantwoord hebben. Paarhus heeft een zweer op z'n gat, zei, verdomme, hoe heet hij ook weer, en dat zei hij nog een keer, net als Reger en Atzbacher, net als Bernhard eigenlijk, die er nauwlettend op toezag dat Reger en Atzbacher alles minstens twee keer zeiden, of drie keer, en dan voor de duidelijkheid herhaalden wat ze gezegd hadden, en Olip, ja precies, zo heet ie, Olip had het dus nog een keer gezegd: Paarhus heeft een zweer op z'n gat. Paarhus had een zweer op z'n gat en om die reden gaf hij er de voorkeur aan om niet op het aangewezen zitmeubel plaats te nemen, een kerkstoel zonder rugleuning, iemand had de rugleuning er af gezaagd, en staand, en al of niet met een zweer op z'n gat, of met een ander kwaaltje misschien waar hij het liever niet over had, stond hij naar van Ditbarst te kijken die over een uit triplex vervaardigde tafel stond en met grote toewijding naar een roestbruine vlek keek, een vlek waarover Pulpo, want zo heet ie geloof ik, had gezegd dat het hem aan Rottum deed denken, hij was nooit in Rottum geweest maar dat deed er niet toe, hij had net zo goed Sri Lanka gezegd kunnen hebben, daar was hij overigens evenmin geweest, hij bedoelde dat het een vlek was die hem aan een eiland deed denken, wat ons geen van allen verbaasde, ook Bernhard en met Bernhard Reger en Atzbacher zouden bij het zien van de vlek, waar van Ditbarst zich met grote toewijding over ontfermde, zonder de minste twijfel een eiland zien, als het beeld dat het een vlek was tot rust gekomen was zodat ze eindelijk over wat anders zouden kunnen nadenken dan het feit dat iemand motorolie had gemorst op het naakte hout van, het zou geen kwaad kunnen om hier een ander woord voor te bedenken, van het genrestuk waar ze drieëneenhalve maand mee bezig waren geweest, terwijl Bernhard dood was, er misschien wel iets over te zeggen gehad had kunnen hebben, dat je op een genrestuk toch net zo goed het genrestuk zelf kon kotsen, bijvoorbeeld, of dat je om Reger en Atzbacher te begrijpen eerst Reger en Atzbacher met huid en haar opeten moest, niet noodzakelijk in die volgorde, dat je dan zou begrijpen waar het met Reger en Atzbacher om ging, dat je alleen dan zou begrijpen waaraan Reger en Atzbacher hun bestaan te danken hadden, niet aan zichzelf, maar dat ze intussen wel net zo vaak als zich voordeed van voor- en achterdeur gebruik konden maken zonder dat Bernhard daar van wakker liggen moest, en wie daar van wakker ligt, los van Bernhard die er mee opgehouden was om daar wakker van te liggen, is niet bekend. van Ditbarst monsterde het tafelblad. Paarhus, die een zweer op z'n gat had, of wat anders waarover hij zedig zweeg, schatplichtig, monsterde von Ditbarst. Hier, begrepen we, was het begin van een bergtop. Je moet het zo zien, zei van Ditbarst later, toen we aan de Korenmarkt op een terrasje zaten, die vlekken komen niet zomaar. Het zijn lichamen die elkaar opeten en de ontlasting die hier op volgt in de ander proppen, in hoofdzaak omdat ze voor die ontlasting geen ander kanaal hebben, het totaal van de ander wordt in het andere ontlast.
Het is geen vlek, voegt hij toe, het is een berg.

zondag 15 juli 2012

voorval

Een jonge vrouw aan de tafel ter rechterzijde is in levendig gesprek met een man van middelbare leeftijd. Opeens staart ze strak voor zich uit. Iemand rookt een sigaret, hier mag het. Twee mensen die net zo goed een gesprek gehad hadden kunnen hebben, de mollige moeder van een meisje dat in de stoet meeliep en een oudere dame, zitten met de rug naar elkaar toe. De jonge vrouw staat van tafel op. De persoon met wie ze in gesprek was, staart naar het bierviltje. Later plaatst een van de kelners de stoelen zoals het hoort. Hij haalt een natte vod over het tafelblad. Aan de belendende tafel zijn de posities onveranderd.

zaterdag 14 juli 2012

motief



Aan de Watersportbaan, op het terras van een zaak waar ik een decenium eerder voor het eerst en voor het laatst gekomen was, waar ik dit keer beland omdat ik een foto neem van een roest bord en het verkommerde gebouwtje van de roeiclub aan de overkant, nadat ik de buurt van de Distelstraat had uitgekamd en in de Aaigemstraat een bijzonder charmante, achter een hoge ligusterhaag verscholen bel époque woning monsterde, met de haag en het huis viel de lange rondrit, waarbij ik me op gegeven ogenblik in de Maratonstraat bevond, open op die bladzijde met het sprookje, in de hele buurt was niet één huis dat meer aan dat beeld beantwoordde, een sprookje van bescheiden komaf, zou de eigenaar ongetwijfeld zeggen, ik wist dat hij ongetwijfeld iets van die strekking zou zeggen, en aan de Watersportbaan dus, waar ik wat foto's nam, een Gambiaan met rugnummer 12 had zich voorgenomen om het hele traject te doen, hij ploegde over het tegelpad dat helemaal tot het eind van de Watersportbaan loopt, een regenbui jakkerde over het areaal, de ruitenwissers gingen dansend op en neer, de neger met rugnummer 12 nam de linkerzijde van het asfalt waar ik het autootje geparkeerd had, ik nam de treden naar het water, merkte dat iemand me gadesloeg, hij stond op het terras van een nabijgelegen cafetaria, hij stond er met een sigaret, zoals je tegenwoordig vaker ziet, en hij bekeek me. Ik neem de foto, neem de treden naar het autootje, stap over het asfalt. In de cafetaria is een flatscreen met het ritueel van de lottotrekking. De persoon die op het terras stond, is in gesprek met het meisje dat de bar doet. Ik neem wat foto's van het interieur, sla het schriftje open, noteer. Een ander motief was er niet, verneem ik. Dat schrijf ik op, een ander motief is er niet. Hij was met iemand. In de keuken van de dame trof hij een slagersmes aan, het lag in een lade, en toen was hij opeens op het idee gekomen dat hij de dame met dat slagersmes doden kon. Dat was niet eens zo gek, zegt hij, het was het mes dat duidelijk maakte dat hij niet bij die meid blijven moest. Met grote huiver had hij het mes aangeraakt, er een ui mee gesneden, hij spoelde het lemmet, borg het mes op. Het mes had hem zo beangstigd dat hij de affaire prompt voor bekeken hield.


vrijdag 13 juli 2012

vrijdag 13 juli

Tous les mots qui n'existent pas: ça c'est intéressant. Een woordenboek met niet bestaande woorden.

Le sentiment Tati. Na hier gedurende enige tijd over nagedacht te hebben, bedenken we dat de persoon die het zei, met het gevoel of de sensatie die bij Tati hoort, nostalgie bedoeld moet hebben, een zintuiglijke nostalgie, dat je aan een straathoek naar een verkeersbord kijkt en je probeert te herinneren of voor te stellen hoe het zonder dat verkeersbord was.

Paleontologen hebben voor de huidige periode een naam bedacht. De mens heeft de aarde op zo'n ingrijpende manier veranderd en bepaald dat er een era aan toegeschreven zou kunnen worden. L'age beton. Het beton.

Le sentiment Tati: je snapt geen reet waar ze het over hebben. Letterlijk, je begrijpt niet waarover ze het hebben. De woorden zijn een fluïdum van klanken en toch weet je de hele tijd door dat het betekenis heeft en je weet ook de betekenis die het heeft, zonder dat bij die betekenis een met woorden aangetoonde verklaring komt.

Een antropologie van de hedendaagse kunst. De types en de oorsprong van die types. Is aan hedendaagse kunst een antropologische studie gewijd?

woensdag 11 juli 2012

woensdag 11 juli

Gehoord in een Frans bistro on Upper street. Hij zegt: It's Mexican, it's a Mexican beer. Zij zegt: I might even be Mexican.
In Old Masters, de door Edwald Osers vertaalde Engelse versie van Alte Meister, zit ik bovenaan bladzijde 13: Genius and Austria do not go together, I said. In Austria one has to be mediocre in order to be listened to and taken seriously, one has to be a person of incompetence and of provincial mendacity, a person with an absolute small-country mentality. A genius or even an exceptional mind is sooner or later finished off here in a humiliating manner,
Ik kijk op uit het boek, staar naar de rug van de dame, een blondine, die een ogenblik eerder met a clear touch of Carver, I might even be Mexican zei, toonloos, bijna alsof ze 't net zo goed niet gezegd had kunnen hebben. Er is nog een blondine, a superb mass of greyish white blond hair, ze staat midden het gangpad, of in elk geval daar waar een van de meisjes die de tafels doet passeren wou, en strijkt de split of probeert de split van de mantel glad te strijken, een handeling waar ze een hele tijd mee bezig blijft. Terwijl ze hiermee bezig is, spreekt ze the Mexican aan, 'but he did say...', ik heb geen idee waarover ze het hebben, de man die mee aan zit, partner, echtgenoot, casual lover, staat op, veert overeind, buigt over het tafelblad, zegt iets, Old Masters gleed open op bladzijde 3, deed dat op eigen houtje, in his grey uniform, badly cut and yet intended for eternity, lees ik, en zij, ze schuift de vingers van haar linkerhand, alleen de duim gaat niet mee, in haar jeans, in de linker broekzak, om wat voor reden is niet bekend.

maandag 9 juli 2012

wolk

Ze staan zo dicht tegen elkaar, en dat sinds bijna honderd jaar, dat ze aaneen groeiden. Eerst kwamen de rokken aan elkaar vast te zitten, dan de hand van de moeder aan de hand van het meisje, een hand die ook reeds voor de foto genomen werd die bedoeling had gehad, daar zou de hand terecht komen, op die plek zou de hand blijven, net boven de frêle vingertoppen van het meisje waar de hand zo vaak geweest was. Zij, het meisje, vastgeschroeid aan de moeder, ze heeft een onduidelijk aantal jaarringen, onder de rokken met ontvlekte bevangenheid aan het blote vlees van de moeder gesmolten, een bunzenbrander die gaandeweg ook de foto zou aantasten tot in beide buiken één hartslag stond, heeft een schriftje bij, het ziet er als een schaal uit, het is een schriftje, een schriftje met de rekensommen van gods woord. Ze houdt het met beide handen vast. De linkerhand kwam vast te zitten aan de moeder, de rechterhand behoedt het voor de wetten van de zwaartekracht wat het schriftje een lucide, frivole veerkracht geeft, het buigt door onder het gewicht van de vingertoppen. De moeder is zwaarlijvig, stijfburgerlijk, geen franje, rondborstig, ze heeft ongetwijfeld tal van kwaaltjes, de jaarringen drukken zich uit in het vranke, stoutmoedige gewicht en de vingertoppen op de hand van het meisje geven aan dat hier een partituur is, alles, het meisje, de pose, de ketting, de verwantschap, het is geannoteerd, een voetnoot bij de foto waarop ze beiden in roodbruine tinten verwijlen, de rokken, het oude gelaat, het jonge gelaat, aaneengeklonken, het kleed van het meisje, het onstuimige gewicht van de moeder. Benen hebben ze niet. Ze staan schuivend in het woord van god, een lauwe, onduidelijke wolk.

zondag 8 juli 2012

blackwell

Op een niet nader genoemde plek zit ze aan tafel. Het tijdstip had ze over het hoofd gezien. Er zitten nog mensen. Buiten, ik draai het hoofd een kwartslag linksop, daar, onder de boom die er half in staat, is een vlietende waterloop. Boven de boom is het metropool van een grauwe wolkentroep. Wind vloeit door de takken van de treurwilg. Panta rei, ik draai het hoofd rechtsop, een van de dames aan de belendende tafel komt me bekend voor, en bekijk een foto. Op de foto, in een kleine bezetting van bel époque grijswaarden, staan twee dames in badpak, jawel, uiteraard, ik stel me voor dat ze in hetzelfde badpak staan, ik herinner me een foto waarop ze dat inderdaad ook deden, de meisjes waren zo stererotiep, en eentje wereldberoemd, dat ze met z'n tweeën in het badpak konden, maar wat op deze foto te zien is, in grijswaarden uit een andere tijd, met meisjes die aan de ook toen al gebruikelijke normdrempel beantwoordden, laat subtielere interpretaties toe. Is er een drempel, vraag ik me af. Op de kaart hebben ze brasvarkenkotelet op smaak gebracht met room en pickles. Een Blackwell. De ober nuanceert, de blackwell is op, daar is hij 100% seker van, maar de kotelet zou in een mosterd- of pepersausje kunnen. Vlakbij belandt een voorwerp op de plankenvloer. Een bril. Niet de leesbril maar het boek was me opgevallen, iets van Thomas Bernhard. Ik keek naar het boek en stelde me voor dat daar, jawel, inderdaad, een exemplaar van Alte Meister lag. Berglund, dat is wat er staat. Berglund. De dame raapt de leesbril op. Het ding was van het boek getuimeld, waarvan de titel onleesbaar bleef, tuimelde over de tafelrand, was op een stoel beland, half op het ronde gewicht van een handtas, schoof weg over dat ronde gewicht, kwam pal op het boordje van de rand van het zitvlak, viel, belandde onder de belendende tafel. Berglund en met het tuimelen van die naam, maar het abacadabra had geen belang meer, Neue Master. De foto op de cover van het boek gaf aan dat Berglund iets met Noord-Afrika had. Het was een reisverhaal. Alle tafels zijn belendend, begreep ik, zodra je om wat voor reden ook aan een studie van de Tasmaanse opposumpopulatie begint, of, wat Borges suggereert, een dissertatie over de beleefdheidsformules van het ratatouille in nabije sterrenstelsels. Nog te benoemen plek: spelonk, grot, oogkwaal. Een vetkwab meert aan, drijvend, kotst de specialiteit van het huis op tafel. Iemand raapt de leesbril op. De ledematen van het vetbeginsel, zei een kennis, zouden aan de binnenkant zitten, ze graaien in het hier en nu en trappelen, wat anders hadden ze kunnen doen, in de ijdele hoop om het vet ooit weg te hebben, en ze trappelen, dat heb ik op meerdere pleintjes gezien, tot ze opeens in een dun geultje onder het vet brakende lucidum doorstromen, zo genoemd naar een of andere vetbolkundige, en uit het braaksel ontwaken de ledematen van nieuwe protacoclipsen, zoals ze genoemd worden, het tuig van de ledemaatachtigen.

zaterdag 7 juli 2012

sanseveria

De dame kijkt om naar het raamkozijn. Op het raamkozijn staat een sanseveria. De plant staat in een groene, glanzende pot, Kretensisch groen, bedenk ik, geen groen dat bij de Vlaamse boerenbuiten hoort, en op elk raamkozijn staat er één. Als ik het hoofd een kwartslag linksop draai, is er eerst de sanseveria, dan het Kretensische groen, dan een patroon van regendruppels en zo nog wat oneffenheden. 'Ik heb eens een sanseveriaatje gekocht,' zegt de dame. Dat noteer ik. Ik heb eens een sanseveriaatje gekocht. Ik noteer het, kijk zijdelings naar de dame om, ze zit met een rug naar me toe. Hoeveel ruggen zou ze hebben. Die waar ik naar kijk en die waar Timo naar keek, als hij tot kijken kwam, of Phil, als hij heel even gedurende anderhalve seconde verstrooid opkijkt van het bord met spek, rucola en geitenkaas. Of hij het toch doet, weet ik niet.
De dame die zei dat ze ooit op een dag op het idee kwam om een sanseveria te kopen - of sansevaria, zou de soort tot variatie in staat zijn - heeft blote armen, ze is een jaar of veertig, vijfenveertig misschien, die twijfel stapt met een hoffelijke buiging om haar heen, zij en de dame die mee aanzit hebben elk een glas rode wijn besteld, en dat noteer ik, niet meteen, evenmin alsof ik op wat anders wacht, heel even kijk ik naar de sanseveria om, of, godbetert, het sansevorium, de soort is ongetwijfeld omnivoor, het exemplaar dat ik voor me heb glanst, de gele pechstroken hebben een halve duim, zonder betere overweging dan hinder steken de geonduleerde deegwaren uit de Kretenische knol, aan de top afgewerkt met iets wat op een komma of een vraagteken lijkt, en dan pas, nadat ook de vreemde WWW-nervenstructuur me opgevallen is, noteer ik wat ze een halve minuut eerder zei: 'zo'n schoon, klein sanseveriaatje.' Dat is wat ze zegt. Ik noteer het. En dan komt het. De reden waarom ze over die sanseveria begon. Het had een reden. Ik kan niets houden, zegt ze, alles gaat kapot.

vrijdag 6 juli 2012

troep

Wolkentroepcarbonade. Kermiswolkentroepbombardon.

donderdag 5 juli 2012

regen

En, vraagt Olivia, kunt ge u verwarmen. Wordt het weer zo'n krankzinnige zomer, bedoelt ze. In 1979 was ik in Salzburg. Het regende. Iemand verzekerde me dat dat in Salzburg niet ongebruikelijk is. De Salz stond zo hoog dat ook maar iemand er een teen in steken moest of het stond tot de tenen. In een boekenwinkel hadden ze alles van Rilke. Ik logeerde in een pension, op het eerste, in een kamer die, als ik de gordijnen open gooide, uitzicht bood op een apothekerij. Vlak naast die apothekerij ging een trap naar de oever van de Salz. Er was een promenade, ik ging op een bankje zitten, keek naar het wassende water. De rivier stond zo hoog dat het tot de duimen van de geul reikte. Op de promenade was niemand. Ik keek naar het stromende water. Met enorme kracht sloeg het door het bekken van de Salz.

maandag 2 juli 2012

iemand

Iemand. Iemand? Iemand. Dan nog iemand. He. Nog iemand. En daar nog iemand. He, nog iemand. En dan nog iemand, ho, wordt het niet wat veel. Nog iemand. Nee maar, godverdomme, daar staat er nog een. Iemand en nog iemand en dan nog iemand en dan weer iemand en nog iemand en wat later, na een tijdsverloop te kort om van de Nero d'Avola te nippen, weer iemand, en dan nog iemand, opnieuw. He, zeg, waar houdt het op. Jij daar! Ja mevrouw. He zeg, kom zeg, godverdomme. Wie ben je. Dat schrijf ik op. Dus die meneer, die mevrouw, ok, wacht even, dat schrijf ik op. Wie nog. Daar is er nog een. Hoe 't ie heet. Wacht even, wacht wacht wacht. Dat vraag ik. Vraag jij het? Nee, doe ik wel. Ik vraag het. Hoe heet je, vraag ik. Dus zo heet ie. Dat schrijf ik op. Wat doe je, vraag ik. Dus dat doet ie. Dat schrijf ik op. Je had toch in de Leie kunnen springen, zeg ik. Of waar dient zo'n waterloop voor, tegenwoordig. Dat weet hij niet. Wat is je naam ook weer, vraag ik. Is hij vergeten. Goed zeg. Even z'n gedachten bij wat anders of zo. En niet alleen vergeten wie hij is, stel ik me voor, ook wat hij hier staat te doen. Of zullen we 't daar noemen. Daar, die plek. O, o o, natuurlijk, dat weet hij evenmin. En wat zit jij daar te schrijven, zegt hij. He... ik, nu, warempel, he, komaan, wat ik, of het wat uitmaakt, he, luister...