zondag 28 juli 2013

evident

Wat evident is, is gewelddadig, zelfs wanneer deze evidentie op zachte toon, met liberaal fatsoen en democratisch wordt uitgedragen; wat paradoxaal is, wat niet meteen onder de betekenis valt, is minder gewelddadig. Roland Barthes

In hetzelfde boek, Roland Barthes door Roland Barthes, oorspronkelijk uitgegeven door Editions du Seuil als Roland Barthes par Roland Barthes (op welke bladzijde het hierboven geciteerde fragment zich bevindt herinner ik me niet), een boek waarin ik vandaag voor het eerst sinds midden jaren negentig wat zit te bladeren (en nu herinner ik me ook nog wie het over die Nederlandse, door SUN uitgegeven vertaling had gehad: Ivan; het lag bij hem thuis op de keukentafel naast de korf van een boeket witroze kerkrozen, of tulpen, en in een schaaltje, op of naast het boek, lag een voorraad vers geplukte boterbonen, of kardemom, of pijnappelpitten; er waren nog boeken; tijdschriften, kranten; aan de muur naast de smalle doorgang hing een zwart-witfoto van de oude Matisse die een meisje aan het tekenen is; dit alles herinner ik me grosso modo zoals je je herinneren kan dat op een winterse dag op het strand van Oostende twee personen een weinig voorovergebogen tegen de wind stappen, dat beeld levert het stuifzand hoewel de heldere waarneming hiervan misschien een decennium eerder plaatsvond, ruig touw dat opgekruld in het zand ligt op een plek waar de oprukkende golven er nog net niet bij kunnen en het spoor, meerdere sporen van mensen die een tijd eerder ongeveer op dezelfde plek en ongeveer in dezelfde richting over het strand stapten), in dat boek dus, tref ik vandaag volgende passage aan:

'Poëtisch' (zonder waardeoordeel) kan men elk vertoog noemen waarin het woord de idee aan de hand neemt en leidt: als u de woorden zozeer liefheeft, dat u voor ze bezwijkt, dan trekt u zich terug uit de wet van het betekende, van de schrijverij. Het is letterlijk een onirisch vertoog (onze droom pikt de woorden op die hem onder de neus komen en maakt er een verhaal van). Mijn lichaam zelf (en niet alleen mijn ideeën) kan uit woorden worden opgebouwd, kan in zekere zin door woorden worden geschapen: (bladzijde 166)

Nu zou het eigenlijk ook best kunnen dat ik het vorige citaat niet uit Roland Barthes door Roland Barthes heb, maar uit Sade, Fourier, Loyola, ook uitgegeven door Editions du Seuil, ontdek ik, vier jaar eerder dan Roland Barthes par Roland Barthes. Op welke bladzijde laat ik in het midden. Om dat na te vlooien heb ik een kantoor te openen. Twee secretaresses. Berlusconi is klant aan huis. Als aan zijn intelligentie een voorwerp toegedicht zou kunnen worden. Aan intelligentie tout court: de afstand tussen droom en werkelijkheid. Ik heb niet de matière om een roman of zelfs maar een essay te schrijven, schreef ik op 21 januari 1996.
Dagboeknotities, waarvan het nut niet altijd honderd procent zeker is, ik beweer niet dat het mijn favoriete lectuur is, zijn op wat correspondentie en poëzie na, het enige auteursrechtelijke medium waarmee ik min of meer vertrouwd ben. Neem Woolf. Het vijfde, laatste deel van The Diary, een uitgave van Penguin Books; dit keer sla ik het open op blz 200-201:

Tuesday 24 January

On the plancards this afternoon: Franco at the gate of Barcelona: Measures for defence. This refers to our new voluntary service. The one is the cause of the other. Yesterday 300 bullets were found thrown into the bushes the other side of Tavistock Square. A reporter came to ask if Mr Woolf could give any information. One of the Irish rebels lodges in Tavistock Place or Court. These are notes I scribble hastily, while L. (exacerbated by the itch again) goes to the Cocktail at the BBC.
Bij Tuesday 24 January is een voetnoot: 13. VW has misdated this Wednesday Jan 24th.

Vandaag op het menu: Jos is dood en wordt begraven. Ik heb de wekker gezet. Je kan niet ongeschoren op zo'n begrafenis arriveren, ook al is het die van Jos, die zelden keurig geschoren was.
's Ochtends raast een onweer over de agglomeratie. Ik lig naar het geweld te luisteren. Geratel, bliksem, donder. Het geluid is overweldigend. Ze krijgen Jos niet de grond in, met dit ontij wordt het een begrafenis op zee. Ik draai me op m'n zij, luister sluimerend naar de neerstortende barricades. Er is een gek geluid. Een haven van tijd na dit geluid besluit ik om toch maar uit bed te kruipen. Op het gelijkvloers is drip sound music. Ik had het zelf geschreven kunnen hebben. Regenwater spoelt over het keramische fornuis. Ik geef het wat tijd, schroef de lattestores vooraan tot raamhoogte, merk dat de druivelaar in z'n geheel omlaag kwam. Potverdraaid.

zaterdag 27 juli 2013

rain

Usually Robert is mad on rain. Well, he's mad on anything, but on rain in a more specific way. He likes to dress as a girl. He often wrote about that. He's not what one would call a writer. Being asked if he was, in that shop where he once bought a huge amount of ribbon, he would have said he didn't know. The shopkeeper didn't ask though. Or he would have said yes. Yes I write. But some seconds later he would add an indifferent remark: postcards. Nothing to feel uncomfortable. He had never been abroad though but that didn't matter too much. The shopkeeper didn't ask. He even didn't take notice of the ribbon, or did he. Such an enormous amount of ribbon could have been of pleasure to anyone selling it. How many postcards, sir, can one possibly write, using a typewriter. Pointing a gun the shopkeeper maybe even wouldn't have noticed any difference. But it rained, as it always did, and Robert hadn't the habbit to wear a gun. As it so often does, Robert said to the pavement. He speeded across the street, nothing worth to be mentioned happened. Home he couldn't wait to change clothing. Wearing some clever nightdress he went into the garden, smoking a cigarette. Rain poured down. He went indoors, took the notebook, went to the garden again, sat down at the garden table.

vrijdag 26 juli 2013

futiliteit of meesterwerk

We drinken picon vin blanc, later een stevige rode wijn, en iemand vertelt me volgende anekdote. Het moet 1989 geweest zijn. Wat tegenwoordig het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst heet, hokte in een aantal zalen van het Museum voor Schone Kunsten. In het bos klinkt de roep van een woudvogel. We hadden het over Daniël Robberechts gehad. Een van de personen die mee aanzit had ooit een boek van Robberechts uitgegeven. De persoon die aan het woord is, vertelt hoe hij en z'n ouders op een dag in 1989 in het Museum voor Schone Kunst langsgingen. Eerst hadden ze wat gegeten bij een Italiaan vlak bij het Belfort. De museumdirecteur stond vlak naast de jongedame die de tickets scheurde. De vader van de persoon die aan het woord is had toen naar verluidt een walrussnor. De museumdirecteur keek naar de snor. Z'n blik haperde aan die snor, verneem ik. De gesprekspartner vertelt dat hij en z'n moeder zich later in een van de zalen achterin bevonden. Ze stonden voor het werk van een Japanse kunstenaar. Het was die ronde zaal, herinnert hij zich. Midden de zaal lag een mikado van aluminium buizen en op de lambrisering stonden vijftig vloertegels. In een oogwenk begrepen ze waar het om ging. De moeder stapte naar de eerste tegel, hij naar de laatste. Ze tilden de tegel, hij de laatste, zij de eerste, van de lambrisering die als sokkel diende, en plaatsten het ding op de vloer, exact daar waar de tegels hadden kunnen staan als de Japanse kunstenaar het zo bedoeld had. De vraag die ze zich stelden was of de Japanse kunstenaar het zo bedoeld had, het zo bedoeld had kunnen hebben, maar het was ook meer dan die vraag, verneem ik, het was een nieuwsgierigheid naar de identiteit van de presentatie, of de presentatie überhaupt een identiteit had die wat toevoegde aan wat toch helemaal niemand weet, hoe je actuele kunst definiëren moet. Ze hadden de ingreep pas uitgevoerd toen een fotograaf de zaal betrad. Hij nam foto's van het werk.

donderdag 25 juli 2013

notitie

Over het dagbegin valt geen zinnig woord te zeggen. Majoor Wit en ik stonden in de stront, ik tot net onder het strottenhoofd, dat boven de stront uitstak, en van Wit was geen spoor meer. Van wat van het huis gebleven was kon ik me geen voorstelling maken. In de beerput hingen geen plaatjes aan de muur. Aan de piano, stelde ik me voor, had een slungel van een jaar of twaalf op een Mozartsonate zitten studeren. Zo'n partituur is verdomd gaaf. In Salzburg had ik op een dag aan het klavier van een clavecimbel gezeten. Er was een feestje. Ik had geen zin in het feestje. De persoon van wie het klavier was had naar me omgekeken. In zo'n beerput zijn de nachten niet anders dan wat je je normaal gesproken bij een nacht voorstellen moet. De stank gaat liggen. Daar is een psychologische verklaring voor en alleen al door het bedenken van zo'n betekenis, psychologische verklaring, was een oervorm van wat hedentendage berusting genoemd wordt in m'n hersenpan aangemaakt. Ik kreeg het er niet weg, kokhalsde, vond het ook allemaal net zo interessant als de sensatie dat een nietig insect op m'n schedel neergestreken was en dat ik dat niet verhelpen kon, of dat ik het insect platdrukte in het lamplicht boven een tafel waarvan ik niet wist waar het ding zich op dat moment bevond. Ik had me niet vergist. Majoor Wit stond in het diksap, ik wist dat hij er stond. Hij stond naast me. Ik wist dat hij er stond. Ik besloot om te genieten van het uitzicht dat er niet was, of toch, vliegen warrelden in de slijkboel en er was de flauwe aanwezigheid van Majoor Wit. In de drek had z'n volume zo'n aanwezigheid veroorzaakt, waar nog bijkwam dat niet alleen ik maar ook hij zich af en toe te ontlasten had, dat het teveel geworden was. Zo is het ook, in drek is alleen maar plaats voor drek.

woensdag 24 juli 2013

sonnet

Rain came from earth and earth I must be with. Oh yes, I believe it must.
Yes, sir, yes. Rain. It feels as the loss it had. And I believe.
These rains, Black, are you and her and me that fell on earth.
Oh, yes sir, I strongly believe such methods work. Anything else then
came down, fled from that sky, came down and squeesed, came down
and pleased, and I had to piss on it, did I, to make it gain.
Sir, you should have done so, sure. But, again, I lost track.
Black, please point your eyes. Yes sir. Brain, if fortune, makes a loss
and making that it opens a disease as new as what it lacks.
Do you believe it had, sir. No, I don't. Black, I trust on you.
Your smell had Tiblis fine, where you and I could have met.
Well, I had a girl, sir, just as black as me and now it rains
and it rains on her and how to be or not, and without that it rains on me.
Sounds unheard a garden makes and beetles please and tease.

dinsdag 23 juli 2013

Jos

Jos is dood. 1959, 2013, dat zijn de jaartallen. Sint-Niklaas en Aosta, de plaatsnamen. Had hij verteld dat ze van plan waren om Italië te doen, herinner ik me dat correct?
Op een zondag begin juni was hij nog eens in croxhapox geweest. Hij kwam er bij zitten, aan de kleine tafel in de hall, zag er wat verweesd uit vond ik, vroeg waar ik mee bezig was. Het was net voor sluitingstijd en nu vraag ik me af of hoe hij toen inderdaad zei wat ik me nu herinner, dat ze een verblijf in Italië planden. Ze reisden veel. Daar keek hij ook altijd heel erg naar uit: Boston, Israël, Italië. Ik kon me Jos niet voorstellen in een korte broek, in een Bermuda al helemaal niet, wel met een schetsboek voor als hij er zin in had.
Ook zie ik nog zo voor me waar we elkaar voor het eerst ontmoet hebben, eind jaren tachtig, in de Mokabon, aan de tafel naast de doorgang naar de toiletruimte. Pol Hoste zat er net zo vaak, toen, en ze kenden elkaar. Ik kende geen van beiden. De Mokabon was toen nog dat rovershol waar zo ongeveer iedereen die er kwam tabak bij had. Op een keer, eind 1989 of begin 1990, we kenden elkaar amper, vertelde hij me dat hij meetlatten zwart geschilderd had. Later vertelde ik hem dat ik daar iets over geschreven had, dat hij zo totaal gelukkig was geweest met die zwarte meetlatten, of misschien net niet, met Jos was niet altijd duidelijk hoe dat geluk gedefinieerd hoorde te worden. Hij wist dat ik het ironisch bedoelde, dat met die meetlatten die hij zwart geschilderd had, dat ik het eigenlijk zelfs wat lacherig bedoelde, dat met die meetlatten, en natuurlijk was het zo dat hij er zelf om lachen moest.
In een van die onmetelijke, paleisachtige zalen van m'n stulpje heb ik een olieverf van Jos hangen. Hij heeft het in Boston geschilderd, waar hij en Lieve intussen wat meer dan een decennium geleden woonden. Elias was er nog niet. Het schilderij stelt voor een donkere nacht met sterren in een koek van zwarte olie. Het is een prachtig schilderij. Toen ik het kocht had ik nooit eerder een werk gekocht.
Het is een donker schilderij, donker, woest, over elke uithaal op het doek is in een fractie van een ogenblik nagedacht, of misschien net niet. Ik kocht het omdat ik me voorhield dat ik misschien, ooit, op een dag, zo zou kunnen schilderen, zonder godsvrucht, zonder andere leermeester dan het woeste geluk van dat ene moment. Sinds die dag is Jos altijd in m'n omgeving geweest. Z'n mislukkingen deerden me niet.

maandag 22 juli 2013

kopstront

In 1996 begon ik aan een cyclus die Kopstront als titel had. Ik had een syllabische vertaling gemaakt van het derde Shakespeare sonnet en plande om meteen ook alle andere sonnetten zo'n beurt te geven. Dat viel tegen. Het waren er teveel en ik had andere dingen te doen. Wat ik overigens een prachtige drogreden vind: ik had andere dingen te doen.
Het zal je verbazen om te weten wat de persoon die op dat moment beweert wat anders te doen te hebben net op dat moment te doen heeft. Als het hoognodig moet, gaat hij naar achter.

een variatie op Shakespeare sonnet 5

Ik weet dat ik een slaaf ben,
van uw ontrouw in de eerste plaats
en van wat aan hondsheid bleef.

De haast na het belsignaal zegt dat het nu ook weer niet zo haastig moet.
Bezorg me een touw, ik gord het om. Vrije wil.

Ik ben een baviaan, ethisch niet gedoctoreerd, alleen als aap toegewijd
aan de desilussie van een beschaafde zaak.
De brokken die ik maak zijn het voer dat u serveert.


Als het straks weer kerstdag is, vind ik het wellicht niet langer een stomme zin: dat ik een slaaf ben weet ik best. In 1996 had ik het wellicht ook niet anders geschreven kunnen hebben.

Wat aardig om een zin ter beschikking te hebben die ik 17 jaar geleden schreef en daar mee te kunnen doen wat ik maar wil.

zaterdag 20 juli 2013

zaterdag 20 juli

Ik ken iemand die me vertelde dat hij een dispuut met zijn computer had. Hij woonde toen op het tweede van een huis dat aan een water stond. Als hij verdrietig was of als er iets anders was, keek hij naar het water. Hij opende een van de ramen, rukte de computer van tafel en wierp het apparaat in het water. Hij had ook nog zelf uit het raam kunnen springen maar dat deed hij niet.

Ik ken iemand die opmerkte, toen ik op een keer toegeven moest dat ik niet wist hoe de copy & paste functie werkte, dat ik als het zo zat, hij had me namelijk al vier keer uitgelegd hoe het moest, maar in de Leie springen moest.

Een half uur geleden heb ik kort na elkaar drie fruitvliegjes in een glas rode Corbières aangetroffen. Een half uur geleden is in dit geval eigenlijk bijna een zinloze mededeling. Zo'n zin kan korter: Rode wijn, drie fruitvliegjes.

Er is een beroemd gedicht, van een niet zo bekende Duitse dichter, dat zijn faam dankt aan het feit dat in het gedicht niet één werkwoord aantreedt.

Werken niet alle woorden? Nee. Sommige woorden werken niet, andere slechts heel af en toe. Ook het hoofddeksel van de ordonnans werkt niet de hele tijd. Als de ordonnans in het kamertje naast de munitie-opslagplaats een koffiepauze houdt, komt de klep aardappelschilachtig halverwege z'n kale kruin te staan. Nog drieëntwintig jaar en het ding gaat met pensioen.

Niet zelden gebeurt het dat ik een ingeving heb maar geen pen en geen notitieboekje waarin ik de ingeving desnoods met een vingernagel aanbrengen kan. Of het in dat geval leesbaar is, heeft niet zo'n belang, het gaat er eigenlijk alleen om dat de ingeving genoteerd wordt. Thanks for that lousy evening, Herb. En zo herinner ik me nu opeens dat een man van adel, dat heb ik in een of ander boek gelezen, net voor hij onthoofd zou worden van de beul te horen kreeg of hij nog iets had gewenst. Een potlood, het vel papier. Pour se mémoriser.

vrijdag 19 juli 2013

Majoor Wit


Wat van Majoor Wit zichtbaar gebleven was, en zich net geen halve meter onder me bevond, z’n kale schedel, de enorme snor die ooit zandkleurig geweest was, had in het schemerduister van het bassin waarin we enkele uren eerder terechtgekomen waren nog steeds iets van een kwajongensstreek, alsof het hem op een niet eens kwalijke manier prettig voorkwam dat hij de drek tot de laatste vinger op te likken had.
Een dikke, gitzwarte vlieg was pal in het midden van de kale, glimmende bol van Majoor Wit neergestreken.
Potverdraaid. 't Zat op het puntje van m'n tong: zeggen wat ik dacht. Er zat nog meer op het puntje van m'n tong.
Bijna sponzige luchtbellen borrelden op uit de gore drab en uit die borreling, zo leek het, stegen de hele tijd door vliegen op, honderd vliegen, duizend vliegen. Boven de betonnen richel, waar ik nog net een glimp van opving, stond een rijtje wilgen uitgewist door dampen die over de nabijgelegen landerijen hingen.


Het typeert Majoor Wit. Als je maar niet op net dat ene rotte plankje was gaan staan, soldaat Black.
Laten we niet over het hoofd zien, Georg, dat Majoor Wit elk te gretig geponeerd tegenargument aangrijpen kan om dat door omstandigheden aangereikte familiaire toontje achterwege te laten.
Black...?
Plausibel, majoor, heel erg plausibel.
Wat vindingrijk van White om op de potentiële zwakte van het argument te wijzen.
Welk argument?
Gisteren, Majoor, U herinnert zich toch: we hadden het kamp net opgebroken, als U mij niet kwalijk neemt om heel even op dit incident terug te komen, en was het niet Heinrich Huckmayer die net toen, waar iedereen bij was, over Euclides begon?

Het goede humeur van Majoor Wit was niet alleen verbazingwekkend, het ver- ver- verontrustte me. Was hij bovendien niet zelf, hij, Majoor Wit, op het plan gekomen, duivels, geniaal, om de Franse troepenmacht met – euh. En toen hadden we dus met z’n allen, en dus was het dus ook nog een vraag die tot op heden onbeantwoord gebleven is waar die anderen gebleven zijn, maar ondanks dat goede humeur en het feit dat hij me met George aansprak...

Majoor...

De stank nam op m’n adem. Het bleke, blonde gezicht van vaandrig Huckmayer stak opeens boven de drek uit. Dikke, harige vliegen dansten  om het bleke, blonde gezicht van Huckmayer. Huckmayer had theologie gestudeerd. Dat herinnerde ik me omdat ik opeens aan dat ouwe moedertje van me denken moest.

De toestand, om het maar meteen zo te noemen, had kennelijk niet alleen onze onverwoestbaar geachte usances aangetast, besefte ik.

Populierenhout, net zo bleek en blond als het vlakke gezicht van vaandrig Huckmayer, zoals hij me, wat ik nu opeens duidelijk voor me zag, gisteravond aangekeken had, werd gepatineerd, zoals ze het noemen, in een sloot met drek. Net hierdoor verkreeg het die patine waarvan geacht werd dat het net dat ietsje meer opbracht dan het niet in stront gemarineerde equivalent.

Majoor...

Twee dingen zaten me dwars. Wit zag welgemutst over het hoofd dat hij door dat rotte plankje getuimeld was, wat we gemakkelijkheidshalve over het hoofd hadden kunnen zien als ik niet aan handen en voeten gekneveld was.

donderdag 18 juli 2013

at the back of a sonnet

At the back of a sonnet it was, there the thing should have been found,
for some reason not in one of those fourteen estimated lines
where none was to be read of what she had been longing for.
Precious, as always, but unseen or, may I say so, hidden maybe.
Not for nearly the fun of it. As one day observing Pissarro being observed
Being observed by Cézanne for instance.
may well have been a reason never to enter any of such sceneries.
So she crushed the insect as she had done so often before.
The fourteen lines, estimated so deeply, none of it heard the sound.
The book actually had been on the carpet half next half beneath the bed.
It had been there for several days. Morning light said hello.
A face was next to it and shadow next to that painting all other parts.
Fingertips reached the edge of the page she had been reading.
White linen, it read. I stumbled to the bathroom, got nearly half that far.

woensdag 17 juli 2013

woensdag 17 juli

Guido belt me. Het is voormiddag, boven het asfalt staat een allesbehalve denkbeeldig hemellichaam. Hij heeft eerst nog wat anders te doen, verneem ik. Zon sproeit over het wegdek. Rond het middaguur ben ik in het tuintje vooraan bezig. Vlak naast de rozelaar, ontdek ik, is de doorgang naar het terrein van een mierenkolonie. Ik drink koffie, bel Michaël, steek een sigaret op, schuif The New Tristano in de cd-sleuf. The New Tristano is een van die zeldzame hoogtes. Het is een volstrekt unieke plaat. Later vertel ik dat ze aan die release uit 1962 de mededeling toegevoegd hadden dat het zonder dubbing opgenomen was. We schaken. Ik heb er weinig zin in, verlies, Guido heeft niet eens het onderste uit de kan te halen, hij overklast me met een uitgekiend eenvoudige strategie. Er is een muziekje uit 2004. Het gesprek komt op Robert Walser en Thirty Poems. We luisteren naar Carla Bley en Ahmad Jamal, schrijven een variatie op een van de stukjes. Quinten is sinds enkele dagen terug uit Costa Rica. Later eet ik kabeljauw met prei en friet.

dinsdag 16 juli 2013

the thing

'Georg,' Major White gurgled.
Sir, I said. White never before had said Georg or anything too personal. We were both naked and. Or, more precisely, I was. Naked and sitting in a enormous flood of crap. I had been sitting in that crap, which doubtlessly had a human source, for half a day. Major White came in more recently. It's hard to be more precise. Sitting up to your nose in a container filled with human excrements doesn't add much to that drilled appetite for accurate information.
'Black...'
Yes sir, I said. If these had to be my last words: I had said them far too often. Black? Yes sir. Black? No sir. Sorry, yes sir.
To be honest, I had no idea if White himself was ballock-naked. For some hours he desperately had tried to keep his moustache out of reach of the thing. Now the thing stood to that pair of glasses he wore. The glasses had slid down from his thin nose and may just as well have disappeared into the thing, but for some reason they hadn't. Before I ever had met him, Major White, I had knew him from that series. At the age of twelve I had been granted the privilege to look at the adventures of Major White. It had been a lookalike of White but I always had kept to the thought that White himself had done that series.
'Major...,' I said. I hadn't heard him for a couple of minutes.
'Major...'
'Right, so what,' I heard from the head. Would a nigger or a female not be the first to be killed. Major White had always been straight, if someone had to be killed he would be the first to imagine how it could had felt if he had be the one. War makes people behave funny, he said.
We had breakfast. I didn't notice too many people, only Major White and me.
'Christ, I can't stand this, Georg,' he said.
Breakfast has been served, sir, I said.

rien du tout

Ik zat op een toilet bij het heerschap thuis. Er zaten geen Turkse dorpsgenoten mee aan. In een van de hoeken naast de toiletdeur was een stapel tijdschriften terecht gekomen. Ik begon de stapel door te nemen, stuitte op een exemplaar dat een jaar eerder gepubliceerd was, eind 1999. In betreffend tijdschrift leggen ze aan het eind van het jaar aan een reeks bekende personen, altijd min of meer dezelfde reeks bekende personen, de variaties benadrukken wat op televisie te zien is, een aantal vragen voor. Altijd hetzelfde lijstje vragen. In 1980 had het zin gehad om dat te doen. Twintig jaar later was het een wat bedenkelijke praktijk geworden. Bij beste gelezen las ik, op de toiletpot bij het heerschap thuis: alles van Perec. Dat verbaasde me. Ik had niet alles maar toch veel van Perec gelezen. Alles van Perec. Dat is wat er stond. En het staat er nog altijd eigenlijk, het volstaat om een tweedehands exemplaar op de kop te tikken. In dat exemplaar zal je achterin bij beste gelezen in de rubriek van betreffend individu ook vandaag, als je het tijdschrift opent en naar die bladzijden waadt, op betreffende plek de mededeling alles van Perec aantreffen. Ik vroeg betreffend persoon wat hij van Perec gelezen had. Niets, zei hij. Hij had met alles van Perec ook alleen maar bedoeld dat hij wist dat ik met Perec bezig was, zei hij.
Hij pende het over omdat hij niet had geweten wat hij te zeggen had. Je leest niet elk jaar opnieuw alles van Perec.

maandag 15 juli 2013

lectuur

Gisteren had ik het plan opgevat om iets over Karel van het Reve te schrijven. Vorige week kocht ik namelijk twee delen van het Verzameld werk van de Ruskenner, zoals de persoon aan wie ik een berichtje hierover gestuurd had hem noemde, ik kocht niet het eerste en het laatste, ik kocht het tweede en het derde deel en begon in het derde te lezen. Aan de persoon die van het Reve de Ruskenner genoemd had, schreef ik het volgende:

'Maar nu iets anders: ik weet niet of ooit een auteur de gedachte heeft uitgesproken dat het menselijk denken zonder herhaling niet mogelijk zou zijn. Ik bedoel dat het menselijk brein niet in staat zou zijn tot enige overwegingen als de stroom van indrukken waaraan dat brein blootstaat uitsluitend uit indrukken bestond die niets gemeen hadden.' Marius wil niet in Joegoeslavië wonen, Karel van het Reve, Verzameld werk 3, blz. 215.

Bladzijde 215. Dat doet me er aan denken dat x, een bekend persoon, op een keer glunderend opmerkte, ik had toen flink tegen mijn zin zo goed als elke dag met hem te maken, dat hij Nabokov's Butterflies in 3 dagen helemaal van begin tot eind uitgelezen had. Zonder Notes en Index een turf van 720 bladzijden. Hij meende dat dit ontegensprekelijk op een niet bij benadering in te schatten vorm van intelligentie wees, thans makkelijkheidshalve idiotie genoemd, toen, aangezien schrijver dezes er weinig tegen in te brengen had, genialiteit, daar pocht x nu eenmaal maar wat graag mee. Ik heb toen ongetwijfeld een en ander opgemerkt, hij antwoordde namelijk dat hij het boek diagonaal gelezen had, kortom drie dagen aan een stuk had hij, telkens hij daar wat tijd voor vond, amper gelezen bladzijden zitten omdraaien en dit zonder de minste twijfel alleen om als hij daar mee klaar zou zijn aan het eerste slachtoffer dat zich voordeed te kunnen mededelen dat hij het boek in 3 dagen helemaal van begin tot eind uitgelezen had, te weten aan een snelheid van 240 bladzijden per dag.
Bladzijde 217: 'Zeer populair is de opvatting, dat grote kunstenaars grote psychologen zijn. De redenering is deze: ( ) Het zou best kunnen wezen dat vele schrijvers juist, geconfronteerd met andere mensen, tekortschieten in psychologisch inzicht. Je zou kunnen beweren dat juist een gebrek aan toegang tot de medemens sommigen tot schrijver gemaakt heeft. Met ontzaggelijke moeite scheppen zij een denkbeeldige wereld waarmee zij contact hebben, terwijl anderen zich zonder moeite in de echte wereld bewegen.'
Ik koei zo maar een beetje. Dat herinnert me aan een niet al te prettige episode die in 1977 plaatsvond, aan het eind van die zomer. Ik verbleef toen in Frankrijk. Zowat iedereen die ik daarna leerde kennen, had die zomer ook in Frankrijk doorgebracht, maar dat wist ik niet, wat overigens niet betekent, denk ik, dat ik uit Frankrijk weggebleven was als ik het wel geweten had. Eind augustus, na een trektocht waarbij ik eerst de Elzas, waar het alleen maar regende, daarna Bretagne, waar ik Lorenz leerde kennen, iemand uit Oostenrijk die ik twee jaar later nog eens ontmoeten zou, in Salzburg, en een Bretoense jongedame die ons in haar 2cv met het Bretoense binnenland kennis liet maken, we deden ook de noordkust, herinner ik me, waar de meeste plaatsnamen op ec eindigen, en er was nog een reisgezel, een wat zwaarlijvige jongen uit Montreal of Quebec, dan, na Bretagne, met Lorenz landinwaarts tot Nantes, een handelsreiziger had ons meegenomen, net die avond was het de verjaardag van z'n echtgenote en de jonge snaken die hij in z'n auto meenam had die meneer als verjaardagscadeautje ingeschat, het waren, herinner ik me, mensen zonder fatsoen, na Nantes ging het zuidwaarts, Lorenz spoorde of lifte naar Parijs, en zo was ik dus op een boerderij beland, enkele weken later, ergens in het Centraal Massief, bij een bejaard echtpaar waar een aardbeienboer me dropte enkele dagen nadat iedereen die bij die Belgische aardbeienboer logeerde, twee Hollandse jongedames en ik, met z'n allen op de dorpskermis waren langsgeweest, waar best wat te beleven viel: in een tent tjokvol plaatselijke luitjes stonden we te kijken naar een rij jongedames die een voor een uit de kleren gingen en het mooie of in elk geval interessante was dat het leek alsof ze 't nooit eerder gedaan hadden. Enkele dagen later zat ik bij dat bejaarde koppel. Ik sliep op een sofa in de bestekamer onder een ossenoog. Omdat de druivenoogst op zich liet wachten, had ik achter de veestapel aan te zitten. Ze legden me niet uit hoe dat moest. Ik koeide zo maar een beetje. En het gekke was, ik wist niet wat ik deed, ik liep met een stok achter die koebeesten aan en ze liepen zonder dat ik het hen uit te leggen had allemaal de kant op waar ze, zonder dat ik er wat tegen had kunnen inbrengen, verwacht werden. Mijn inbreng was volstrekt nihil. Het enige waar ik op te letten had, was niet in de vlaai trappen.
Bladzijde 226. 'Interessanter dan het oordeel van de gediplomeerde criticus is voor een literator vaak de reactie van een gemiddelde lezer, die op het gebied van de letterkunde een leek is. Misschien is dat in muzikale zaken ook zo? In dat geval zou de volgende mededeling interessant kunnen zijn. In de loop der jaren ben ik gewend geraakt aan wat ik noem bioscoopmuziek - ter begeleiding van natuurscènes, bloeiende Betuwe, rampen, lente in de Alpen etc. Ik veronderstelde altijd dat die muziek speciaal voor die films gecomponeerd werd. Daar ik alleen maar luister naar muziek van voor 1820 had ik nog nooit iets van Mahler, Bruckner, Bartok, Janacek (ik laat de accenten weg, noot van schrijver dezes: nvsd) of Smetana gehoord. Laatst heb ik eens serieus enkele dingen van enkele dezer componisten beluisterd. Ik merkte tot mijn verbazing dat ik die muziek allang kende uit de bioscoop.'

De fragmenten die ik citeerde waren geen van beide het fragment dat ik had willen citeren en ik was al helemaal niet van plan geweest om het over Nabokov's Butterflies en het Bretoense binnenland te hebben.
Hoe het precies zit hou ik voor een andere keer.