Op het Brusselse terras zit een Brits echtpaar over een lokale reisgids. Op het plein, zo wordt verteld, is een nieuw personage verschenen, Manschappen. Een cavalerie, Breinaalden, grafzerken, groepsfoto’s, wat het door Hockney met kleurpotlood als meesterwerk afgehandelde en voor een waanzinnig bedrag aan een tandarts uit Harrisburg Pennsylvania verpatste echtpaar niet opmerkt, hetzij omdat zich aan het zich vlak bij de beursschouwburg bevindende terras aan één stuk door nieuwe personages voordoen, hetzij omdat specifiek dit personage niet als zodanig in de lokale reisgids vermeld staat, hetzij om een bij schrijver dezes onbekende reden, of omdat een boom in de weg staat. Een krachtinspanning die met elke stap vijfhonderd manschappen kost. Het garnizoen is al een hele tijd niet langer in staat om met verse kracht te komen. Voorraad op. Wat de reisgids wel vermeldt is dat zich aan de esplanade vlakbij het Jubelpark een betrekkelijk nieuw maar niet bepaald fris ogend personage voordoet, het bij de lezers en lezeressen van het feuilleton Ich habe überhaupt kein Problem mit als Ronny Vrast bekend staand geval, van de vele fotografisch geportretteerde fenomenen die zich in het periodieke spektakel van het door een naamgenoot van Gombrowicz uitgegeven blootblad voordoen misschien wel het meest tot de verbeelding sprekende delicatorum, een vadsig individu met een tegenwoordig als uitgesproken merkantiel gepromoot uiterlijk, blauwe huidskleur, harig, stropdas, maatpak, vier poten, staart, een bedrijvige maar niet de meest bedrijvige telg van een gravel, cement en baksteen kakkend proletarisch geslacht. Nog één voetstap, senhor, en U zal wegzakken in dat proletarische geslacht. Noem het verplettering van, Van een hond bijvoorbeeld. Op één staat vis, op twee staat hond. Over wat op drie staat geen bericht. Noem het de verplettering van, als ’t ie braaf is tenminste. Er is geen brug. Tussen elke voetstap gaapt een diepe kloof. In elk tuinhuis staat een pinguïn. Een winkelstraat die zich van de dichtsbijzijnde hoek tot ver voorbij de Oeral uitstrekt, verder, tot aan de Poolzee. Cavalerie, dat is wat we nodig hebben. Nog één voetstap, Senhor, en U zal wegzakken in een diepe kloof. Wat U vijfhonderd manschappen kost. Meer noordelijk hebben we een moerassig gebied en hier overwegend lui met een hoogst onaangename stoelgang. Voorraad op, geen vis, de winkeltassen, een hond, de pinguïn, daar smijten ze tegenwoordig mee, na elke voetstap. Die diepe kloof. Of misschien toch maar een hond, ik heb het op te zoeken. In het vijfde deel van de verzamelde werken van Tsjechov dat een witte keeshond achter haar aanzat. Heeft vis genoeg aan één pinguïn? Voetje voor voetje, met een laatste, heroïsche krachtinspanning schud je de wikkel van de winkelruit van je af, met elke voetstap een titanisch gevecht, het dilemma van nog een stap nog een stap, of geen stap. Duizend keer die handeling. En met elke stap, oh, ik ben er nog, niet opgeslokt door de diepte van het voetpad. En dit, een wanhoopsdaad, tot aan de Poolzee.
Die krachtinspanning schudt ze van zich af, daar is het boek te oud voor. Of misschien toch maar een hond? Het raadsel werelddeel.
woensdag 5 augustus 2026
het plein
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten