zaterdag 7 januari 2017

mailart [1801-1821]

1821. ZT. 14 april, 16 april, 9 augustus, 7 september. [2009]
1820. Oh solo mio. 17 april, 9 augustus. [2009]
1818. Kausale Zusammenhange. 1 augustus, 2 november, 15 oktober. [2009]
1817. Kausale Zusammenhange. 15 april, 30 juli. [2009]
1816. Kausale Zusammenhange. 30 mei, 28 juli. [2009]
1815. ZT. 23 juli. [2009]
1814. Kausale Zusammenhange. 9 juni, 22 juli. [2009]
1813. Kausale Zusammenhange. 9 april, 15 juli, 26 juli. [2009]
1812. ZT. 20 juli. [2009]
1811. ZT. 15 april, 15 juli. [2009]
1810. ZT. 3 maart, 29 maart, 1 april, 7 april. [2009]
1809. ZT. 18 februari, 24 februari, 25 februari. [2009]
1807. ZT. 17 februari, 20 februari. [2009]
1806. ZT. 3 februari, 6 februari. [2009]
 1808. ZT. 8 februari, 24 februari, [ ]. [2009]
1805. ZT. 9 januari, 12 januari, 22 januari. [2009]
1804. ZT. 7 juli [2000], [ ], 11 januari, 13 januari. [2009]
1803. ZT. 8 januari, 9 januari. [2009]
1802. ZT. 16 november, 19 november. [2008]
1801. ZT. 20 oktober, 23 oktober. [2008]
sjoerd paridaen & laura van

vrijdag 6 januari 2017

6 januari

Als ik te kiezen had, maar ik heb niet te kiezen, ik heb het boek pas gekocht en het voorschrift is één zin, de eerste, werd het Dylan Thomas en Dylan Thomas heb ik niet bij, dus sla ik het boek toch maar open, opnieuw, nadat ik de eerste zin al gelezen had, Wat een rijkdom aan verrassingen, staat er, een verassing van rijkdommen, en misschien net vanwege die al te voor de hand liggende woordspeling schuif ik het meteen weer van me af. Ik staar naar de balg, een enorme met darmen en bijhorende spijsverteringsorganen gevulde vleesophoping die in z'n geheel voorbij de rand van de commode steekt, net zo verontrustend als het volume op latere leeftijd van Alfred Hitchcock. De eigenaar is klein van stuk en gaat grotendeels schuil achter de commode. Vanwaar ik zit, een tafel achterin de keet waar net voor ik er plaatsnam twee in herenliefde gebrevetteerde projectontwikkelaars plaatsgenomen hadden, zie ik alleen de balg, soms het ronde, pafferige gezicht met een opvallend rozige teint, de dikke lippen het mondstuk van een bombardon, en de vlezige, mollige handen die ongemakkelijk net onder de curve van de voorwaarts gestuwde welving hangen. Als ik het boek toch weer opensla, na een kop hete chocola besteld te hebben en twee broodjes, op een willekeurige bladzijde, en lees, Wij weten niet hoezeer de microben van het fantasme zich mengen met de, en het nog een keer lees, hoezeer de microben van het fanatisme, want dat is wat er staat, de microben van het fanatisme, en dan verveeld opkijk uit het naar adem happende proza, merk ik dat het glas Irish Coffee dat bovenaan een vage schuimrand en onderin een royale hoeveelheid kastanjerood fonkelende whiskey had, het bevindt zich op een klein, rond en met een wit doek afgewerkt tafeltje, tot de bodem toe geledigd is. [ ]
Sinds ik aan de grote tafel achterin plaatsnam, waar de aankoop van een villa in de Algarve besproken wordt, hoewel de modieus uitgedoste projectontwikkelaar zich niet exact herinnert waar ze het huis kochten, ergens in het meest zuidelijke deel van Alentejo vermoedt hij, een afgelegen gebied met boeren aan de grens met Spanje, is aan het panorama dat ik voor me heb niets veranderd; een panorama met een schilderij dat aan beide zijden ruim 30 centimeter voorbij het korte eindje muur uitsteekt, het hangt aan een vleeshaak en stelt een lezende dame voor, niet in de traditie van La bergère (de jonge, knappe herderin die zich in zomers nihil met Diderot vermaakt), hetzelfde of een identiek meisje zou later voor La Liseuse geposeerd hebben, en echtparen die met een logge blik naar het gele vocht staren, een château geschonken in glazen die Boon kantiek genoemd had kunnen hebben; behalve dat ene glas, eerst vol, en dat bleef zo, tot de Balg kwiek als een klapstoel voorover boog, sympathiek, komisch, met het volle gewicht voorwaarts een metrisch volmaakte boog beschrijvend, en met z'n dikke lippen over de schuimrand als een big over een exact op maat gemaakte trog van de Irish dronk, gulzig, klein van stuk, een Gargantua op maat van het zich tot minder kwalijke ongemakken beperkende publiek. Dat deed hij meteen daarna, een halve minuut later geloof ik, nog eens en toen hij het nog een keer deed en ook de whiskey naar binnen gewerkt had, veerde hij op, laten we zeggen na een bedenktijd van tien vijftien seconden, en begaf zich verbazingwekkend kwiek, bijna met elegante tred, tussen de vele hindernissen door naar het klein bestek.
Ik ben al vergeten dat hij er is, verlies me in een notitie bladzijde 34: Men kan deze voorstellingen ook omdraaien, staat er, en besluiten dat in acht genomen de voortdurende bedreiging met verwoesting het coördinatievermogen van het zenuwstelsel en de wil zeer groot moeten zijn, terwijl het echtpaar voor het raam me om een of andere reden aan Lovis Corinth doet denken, meer in het bijzonder de man, [Meier-Graeffe], [Corinth], en wanneer zij, noteer ik, haar bril afzet komt de neus mee, het heeft geen enkel verband met de vorige notitie, als hij opeens en zo ongeveer door iedereen over het hoofd gezien toch weer aan komt stappen en half achter de commode verdwijnt.
Van z'n stuk gebracht door het lege glas op het ronde tafeltje wenkt hij de uitbaatster, die zich meteen zorgzaam als een infirmière over hem ontfermt. 'Ge moogt... Ge moogt nog een, een laatste, ge moogt nog een Irish geven,' zegt hij opgewekt. Het is er uit.
Dit niet aan haar gezegd kunnen krijgen, net zo eenvoudig als het kwam, met beklemtoning van elke lettergreep, het had hem waarlijk diep bedroefd. Nu het er uit is, komt een vreugdevolle sluimer over de gelaatstrekken.

dinsdag 3 januari 2017

3 januari

Ik had die enorme vellen papier twee weken eerder gekocht, planovellen zoals ze genoemd zouden worden, waarbij het volstond om te weten dat de persoon die ze benoemde de vellen bedoelde die ik twee weken eerder gekocht had. Toen hij ze in te pakken had, had de jonge verkoper gestunteld. 'Zal ik de lange zijde proberen...?' had hij gevraagd, alsof hij niet in staat was om het zonder mijn instemming voor mekaar te krijgen. Doe de lange zijde maar, zei ik. 'Dan kan het nog eens zo dun,' had hij geantwoord, terecht opgelucht en dankbaar omdat ik hem niet tot nog meer nutteloze inspanning dwong. Met de in folie opgerolde vellen papier, ik had ze geteld en hij had ze nageteld, zeven stuks, zei ik, en het waren er zeven, zeven in folie opgerolde planovellen van een kleur die het label light grey gekregen had, enorme vellen die de jonge verkoper die wellicht pas onlangs in de winkel was komen werken met de lange zijde binnenom keurig in een transparante, weerbestendige hoes geschoven had, oprecht gelukkig omdat het hem in één keer gelukt was, met die 170cm lange vellen, hoewel het ook 150 of 140cm kon zijn, dat had ik niet nagekeken, die eenmaal opgerold als een schoorsteenpijp hoog uit de fietszak staken, fietste ik opvallend welgemutst in een wijde boog om de kerstmarkt heen, een feestelijk abacadabra dat naar mij voorkwam bij voorkeur vermeden hoorde te worden, muziekjes waar een zeehond hoofdpijn van krijgen kon en schnapps waarmee hij nooit zo dronken te krijgen was dat hij er van opbeuren zou. Er stond een koude wind of er stond geen koude wind, dat herinner ik me niet. Ik had zin in een kop koffie, in hete gemberthee, in een aai over de kale bol, in een bladzijde uit dat verrukkelijke boek van Clarice Lispector, maakte rechtsomkeert, weg van het nieuwe jaar en het schamele perspectief, een narigheid geloof ik die traag heen en weer schokkend om de kerstmarkt sloop. In het koffiehoekje van de boekenwinkel was geen zitplaats onbenut gebleven. Had ik zin om de nieuwe Brusselmans te lezen? Dat had ik me eerder al eens afgevraagd en ook toen was ik er niet uitgekomen. Voor net geen 25 euro werd me een erg mooie uitgave met de honderd beste gedichten van Bukowski aangeboden. In zo'n boekenwinkel kan je tegenwoordig trouwens ook echt grappige boeken kopen, wegwerpboeken, boeken met de vijf beste cd's van de week als meeneemextraatje, meer kookboeken dan Gargantua in z'n eentje had aangekund, boeken, dat is beloofd, die je geen tweede keer lezen moet, sterker, boeken die je niet eens lezen moet en net die zijn zo ellendig goed uitgegeven, met kermismolens, met droedels, met mooie jongedames en leuke hondjes op de cover, dat ik het inderdaad niet overweeg. 's Avonds trek ik m'n sloffen aan en zit ik gezellig mijmerend naar het gasvuur te staren met een kop lekker hete gemberthee, wat citroen aan toe te voegen, Céline uit kolenemmer halen.

maandag 2 januari 2017

2 januari

Het moet rond een uur of zes geweest zijn. Vroeg op de avond. Koud. Ik kon m'n sjaal niet vinden. Kwijt. Neeh. Niet kwijt. Op niet een van de plekken waar ik geweest was, had ik de sjaal om of bij gehad. Laten we het er op houden dat ik verstrooid was. Ik had het al toen ik in die hoerenkeet stond en dacht, he, waar is m'n sjaal. Bordeel. Ja, precies, bordeel, mega-bordeel. Blote wijven, zwembad met krokodillen, lui die normaal gesproken een stropdas hebben. Dus in dat klotebordeel had ik 'm niet laten liggen want ik dacht nog, waar is m'n sjaal dacht ik. Waar ben ik het ding dit keer kwijt geraakt, dacht ik. Neeh. Niet kwijt. Ik had 'm (a) in de auto of (b), twee opties, geen derde optie, ik had 'm ofwel thuis laten liggen, (b), of (a), ik had 'm in de auto laten liggen. Dus. Neeh. Niet kwijt. Maar het was wel verdomd koud en ik had geen sjaal bij. Dat was zo een beetje het probleem. Ik stelde me voor dat ik eigenlijk alleen om die reden aangekeken werd. Eerst heffen ze de kin, dan geven ze het hoofd in één keer een kwartslag, en ze hebben het gezien voor ik het zelf in de smiezen had. Nu hoefde ik het niet in de smiezen te hebben omdat ik natuurlijk eerder al op de hoogte gesteld was van het feit dat ik geen sjaal bij had. Het is optie (b), besefte ik. Op de piano godverdomme. In het bordeel hebben ze geen piano, daar spelen om het zo maar eens te zeggen andere akkoordjes.
Het plein gaf een helse drukte. Ik zat op een fiets, baande me een weg tussen de kooplustigen. Jochies die opeens voor m'n neus opdoken en zonder om te kijken wegschieten naar een vitrine waar ze games hebben en dameslingerie. Dames die met z'n tweeën de hele straatengte vulden, niet omdat ze onbegaanbaar corpulent zijn maar aan een slentergangetje met koopwaar bak- en stuurboord van de ene naar de andere hoerenkeet zeulen, door en door verzadigd van de spullen die ze zich wisten aan te schaffen, doodgemoedereerd, werkelijk alsof alleen zij recht hebben op de plek waar ze hun zolen plaatsen. De consumptiemaatschappij heeft het nooit breder gehad. Op het plein was een tram tussen de kooplustigen tot stilstand gekomen. Ik slalomde tussen de primarktassen door, liet m'n fiets op een misschien niet bijzonder veilige plek maar wel met een knoert van een slot tussen de naven, en reserveerde een plekje in het restaurant waar ze ooit een hondsverrukkelijke Blackwell hadden. Ik keek niet naar het plein, hoogstens probeerde ik op tijd in te schatten waar het wegdek een reet breed vrije doorgang bood. Dan een sjaal. Ik vond er één voor 7 euro.
In het restaurant hadden ze steak, côte à l'os, kipfilet en fishsticks die uiteenvielen zodra ik er met een vork in prikte. De friet bleek niet te vreten en het personeel was ook niet meteen wat het ooit geweest was. Verbazingwekkend. Ik rekende af en maakte me uit de voeten. Lekker strak en warm, die oude, met wol gevoerde bottines. Heerlijk, zo'n sjaal. Zigzaggen tussen de tramsporen en die gekke menigte. Wennen aan het idee van cancan dansende moslima's.

Ik weet wel dat ze bestaan, maar ik had er nooit eentje in het echt gezien. In de kroeg zaten er twee. Zelf zat ik met m'n rug naast de gaskachel. Ik had net een muntthee besteld. Het valt niet uit te sluiten dat ik Fanny Ardant niet herkend zou hebben, dat ik dromerig de hele tijd niet al te expliciet naar de foto boven haar enorme kapsel zou zitten kijken, misschien niet eens op het idee zou komen dat het een lookalike is. Het meisje dat onder de foto plaatsnam leek niet op Fanny Ardant, en dat is onvermijdelijk Vivement dimanche. Ze leek er niet op, zoals Ardant naast de set wellicht ook nooit honderd procent de vrouw was die ze in die film is, maar ze had, bedacht ik, een spookverschijning uit de seventies kunnen zijn, en zo ingeschat leek ze wel op de actrice. Het is niet een twee drie uit te leggen. Wel viel ze meteen op, tenzij ik de enige was die aandacht aan haar schonk, zodra ze tussen de gordijnen gleed, bijna alsof ze vooral niet herkend wilde worden, omdat in de keet toch wat oude knarren op een hoopje zaten, maar zij hadden alleen aandacht voor de pint die ze voor zich hadden. Er was er een, geloof ik, die gulzig over een krant gebogen zat en nog een die aan de jongen die de bar deed stond uit te leggen waarom hij niet in jaartallen rekent, wat ik meteen logisch vond toen ik het hem hoorde zeggen, we don't believe in new years. Hij hanteerde de meervoudsvorm om een reden die na verloop van enige tijd net zo makkelijk tot de ouderdomsverschijnselen gerekend kan worden. Vlak voor de kachel, en hierdoor zo goed als vlak naast me, hadden een moeder en haar dochter, of omgekeerd, het over zaken die te ingewikkeld leken om te doen alsof ik niet kon horen waarover ze het hadden. Wat er nu zo precies bijzonder was aan de jongedame die onder de foto plaatsnam, en hierna slechts af en toe en telkens met enige zuinigheid om zich heen keek, weet ik niet. Wel had alleen zij daar zo kunnen zitten, opvallend zonder op te vallen. Ze verbrak de bekoring, diepte een iPhone uit haar handtas of uit een van de zakken van haar donkere mantel, boog zich over het beeldscherm, verplaatste zich, herhaalde het ritueel met de iPhone waar ze gauw op uitgekeken was en bleek een ogenblik later geen iPhone maar een smal schriftje voor zich te hebben. Ze besloot te wachten, bladerde in het adressenboekje.
De jongen op wie ze had zitten wachten droeg een sweater met een bleekblauwe kraag die vlak bij het strottenhoofd twee knoopjes had. Nog iemand viel me op. Ze zat tussen twee mannen in, onder een foto maar een andere foto, en ze was die andere foto. Grote ogen, de dressuur van een lichtekooi, alle kenmerken van een bijna geleerde lichtzinnigheid, het pikzwarte kapsel in een brede sikkel om het voorhoofd, de weinig bescheiden huidplooi, een vlezige, niet al te grote mond, zo hevig gemaquilleerd dat zelfs iemand die buiten aan de overkant over straat liep het had kunnen zien. Ambities had ik niet, wat niet eens met de mannen te maken had, die wel heel erg duidelijk in een driehoek, met zij aan het hoofd, mee aan tafel zaten. Het kwam me absoluut correct voor dat ik om geen andere, nog te bedenken reden met haar te maken had, een te geavanceerd model, te modern, te expliciet demi-mondain, waarbij ik, begreep ik, niet al te nadrukkelijk haar kant uitkijken moest. Een stroom heeft twee oevers en wat als de vracht 20 kilo vrouwenknoken is. Het was geloof ik gewoon heel erg moeilijk om niet naar haar te kijken.

zaterdag 31 december 2016

detox

Hoe lang detoxt ge al, vragen ze. Zes weken, zeg ik. Morgen is het zes weken.
Het probleem met detoxen is, ge wordt er zo nuchter van dat ge van puur miserie zoudt gaan drinken.

vrijdag 30 december 2016

plekken #14 [3]

plekken #14

[3] Deze kaas is voor Flavius Lullus. De tweede rechts voorin op de zesde rij van onder te beginnen. Deze geen sporen van vingerafdrukken vertonende kaas op twee rechts voorin is voor de luie reet van Flavius Lullus. Echt een schatje, die Flavius Lullus uit Herculaneum, een brallend, grollen schijtend drankorgel waar Focquenbroch en Pook een fluit aan kunnen zuigen.
Ik heb geteld op twee rechts voorin één pond drek, dus voor Flavius Lullus is deze plek.
Door niet aflatende oprispingen van ijver kwam ik in de groep gauw als Het Telraam bekend te staan. Ik telde de kazen, na de handen gewassen en vinger na vinger in de rubberhandschoenen gemurwd te hebben, een vervelend karweitje, tien keer het rubbertje aantrekken voor ik beginnen kon. Het tellen verving de verzen van Köhler, 2 meter crêpe-de-chine 'n bustenhouder 2 el zijden lint, waarvan ik er enkele uit het blote hoofd kende, wat met het laatste vers op twee honderd en een en zestig eindigde. Van de driehonderdvierenzestig kazen ging het om de tweehonderdeenenzestigste. Tot ik in de altijd eendere posities van het Euclidische model nieuwe patronen ontdekte. Tweehonderdzestig en tweehonderdtweeënzestig hadden exact dezelfde vorm, hetzelfde gewicht, dezelfde kleur, ze hadden dezelfde geur en ze smaakten hetzelfde, ze waren niet anders dan tachtigduizend doden waarvan er niet eentje een naam had. In de orde die ik bedacht hadden Lullus en Broch, of hoorden ze die ene plek te hebben, Lullus de tweede kaas op rechts voorin, Broch net eronder, maar ik vergiste me vaak, de berekeningen klopten niet, tot ik in een schriftje de namen en hun exacte positie begon bij te houden. Na verloop van tijd kende ik drieënzeventig posities uit het blote hoofd. [ ]

salade de jour

A l'érection de l'oeuvre on livrait que les veuves.
Introduction de la salade en présence d'une douzaine de crevettes.
Des éruptions taille maigre, épreuves
banquaires demi-sec, crampes immoreux au vinaigre du canaille.

zondag 25 december 2016

zondag 25 december

Ik kijk niet uit naar kerstdag en ik ken geen mensen die er wel naar uitkijken. Het is een vreselijke situatie, zo'n kerstdag. Kerstavond is geen zak beter. Ik heb het opgegeven om uit te zoeken of er op 24 december 's avonds wat te beleven valt. In de Turkse buurt zijn de restaurants open. Het loopt tegen halfzeven als ik er om een of andere reden passeer en er zit geen mens aan tafel. De jongens die de tafels doen hebben er zin in. In witte hemden stappen ze levenslustig en grapjes makend door de lege gelagzalen waar alles is zoals het door Joseph Roth beschreven werd. Om aan de onheilspellende tristesse van kerstavond te ontkomen ben ik op een keer drie dagen voor het zover was naar het zuiden gereden. De eerste nacht sliep ik op een parking in de buurt van Nîmes, in de laadruimte van m'n auto, een parking waar op m'n bleke karretje na alleen trucks stonden. Een nacht later bevond ik me ter hoogte van Murcia in een dennenbos vlak bij de zee en op kerstavond in Màlaga, waar, het was te voorspellen geweest, geen zak te beleven viel. Ik geloof dat ik eerst wat door de binnenstad dwaalde, op straat was geen hond, er in de hotelkamer een vroege nacht van maakte en 's ochtends vroeg de benen nam naar Portugal.
Kerstdag. Dit keer is 't een zondag. Alle winkels zijn dicht. Bij de bakker kan ik geen broodjes kopen, de zaak is dicht, in de krantenwinkel geen tabak, daarvoor heb ik helemaal tot aan een tankstation te fietsen. Kranten die de ellende van de vorige dag becommentariëren zijn er gelukkig niet. Een witte kerst zou het toch niet worden, dat hadden ze weken geleden al beslist. En wat ik 's middags al voelde aankomen: ook alle eetplekken zijn dicht, met grote nadrukkelijkheid, het is een collectief besluit. Het keukenpersoneel is nog niet helemaal hersteld van de opgelopen schade.
Ik gooi het kunstencentrum open en stel vast dat we zonder koffie zitten. Als ik dàt wereldkundig maak, sturen ze een filmploeg op me af.

zaterdag 24 december 2016

zaterdag 24 december

[1] Ik had de oproep op een haar na gemist. Wie kwam ook op het idee om me te bellen terwijl ik het stof nog van me af te schudden had. Ze heette K, wist ik, wat ze niet zei. De oproep was onbeantwoord gebleven en de ongerustheid die sinds gisteravond in alle hoeken van het appartement een niet waar te nemen en net hierdoor in het kraaknette interieur een steeds duidelijker aanwezige ruwe, onaffe vlek geworden was, had ze ook na het sturen van het mailtje niet van zich af kunnen zetten. Waarom bleef de telefonische oproep onbeantwoord? Had ze het juiste nummer? Wat een farce dat ze dit net vandaag af te werken had. Ze had ze niet het minste idee wie ze aan de lijn gekregen had kunnen hebben. Het hoofd van de dienst Spoedgevallen die sinds acht uur met grauw wordende vertwijfeling op haar oproep had zitten wachten? Net nu ze de onzekerheid niet langer van zich afzetten kon, een halve minuut had ze in het kopje koffie zitten roeren, zat de onbenul met z'n broek op de knieën het Zweedse kruiswoordraadsel in te vullen. Dwergschildpad, lidwoord, slaginstrument. Twee suikerklontjes, zo was het wel genoeg. Op de achterbank van de limousine met Nederlandse nummerplaat lag, of zat, een naar verluidt platinablonde dame. Zesenveertig jaar oud was ze, zo bleek. De rechercheur in het amper bemeubelde kantoortje controleerde het witte handtasje met de naar zijn smaak iets te ordinaire schouderketting, de sticker van een Maltezer op de kleine geldbeugel en een vrij recente foto op de ID-card die geen blondine maar een brunette bood. Had ze wat anders bij, toen ze haar aantroffen, dan de witte nylons en de witte Jarretelle Vierge die ze had aangehad? De dame belde me.
Het is volstrekt niet mijn bedoeling,
lees ik, deze kleine geïsoleerde pogingen te overschatten. Ze hebben uiteraard op de ontwikkeling van de gebeurtenissen niet de geringste invloed gehad. [Op de ontwikkeling van de gebeurtenissen hebben ze uiteraard niet de geringste invloed gehad.] Maar ze hebben ons zelf - en een enkele onbekende lezer - geholpen. Ze hebben het gruwelijke isolement, de innerlijke vertwijfeling verzacht waarin een werkelijk menselijk voelende mens van de twintigste eeuw zich bevond - en zich nu vijfentwintig jaar later weer bevindt, even machteloos tegenover de overmacht, als het niet nog machtelozer is. Sla het boek dicht, zonder het paginanummer op te merken, controleer de biomassa in de wc-pot en spring bedachtzaam om met de hoeveelheid toiletpapier die je zonder hierover na te denken maar toch enigszins voorzichtig tegen je kontgat aandrukt. En wie haalt het in z'n hoofd om me net dan op te bellen. Ja, mevrouw, komt in orde mevrouw, halftwee is prima.
[2] Afgaand op het heldere stemgeluid aan de andere kant van de lijn bleek het beeld dat ik van de dame had niet te kloppen, voor zover de stem, die minder door plaatselijke tongval besmet was dan ik me had voorgesteld, iets zinnigs aan haar toch wel zeer onvolledige samenstelling toegevoegd had kunnen hebben. Wist zij wie ik was? Nee. Had ze mijn leeftijd kunnen schatten? Nee. Wist ze dat ik me nog niet geschoren had? Nee. Wist ze dat ik naakt was? Nee. Omdat het aangenamer was bovendien om haar licht ontstemde alt in de rechter oorschelp te hebben dan het schele salvo van de elektrische wekker, kroop ik bereidwillig overeind, net zo bereidwillig als een hond gedaan zou hebben, zonder aan m'n reet te krabben hoewel zich daar ongeveer gelijktijdig een plotse huidirritatie voordeed.
Het pakje. Wist ik van het pakje? Nee. Bedoelde ze het in aluminiumfolie verpakte overschot van de Syrische hamster die iemand me twee dagen eerder toegestuurd had? O, ja, precies, de kist bedoelde ze. Met zo'n kist kon je geen trein op, hoewel ze dat overwogen had. Ze had een taxi gebeld, zei ze. Kon halftwee? Alles kon. Het dreigde wel heel erg duur te worden, zei ze, als de taxi-chauffeur niemand aantreffen zou. Geen erg, komt in orde, zei ik. Is kwart voor net zo goed, informeerde ik. Ik draaide me met een lome slalom over het bed en zocht de wekker. [ ]



[1] Stefan Zweig, Herinneringen van een Europeaan.

plekken #15

N°50 SHAPE, Belgium. In the service of peace and security. Supreme Headquarters Allied Powers Europe. Au service de la paix et de la sécurité. Grand quartier général des puissances alliées en Europe. Geen postzegel, niet afgestempeld, geen bestemmeling.
N°55 Hasselt. Virga Jesse ziekenhuis (1961). J.V.d.B. [252/11]
N°56 Hasselt. T T (Twee Toren) Wijk (1973). J.V.d.B. [252/13]

donderdag 22 december 2016

donderdag 22 december

PICTURE THIS - PICTURE THAT. 2BA Architectuur Luca, keuze-atelier fotografie. Docenten: Wouter en Petra.
Laatste project in de Lucas Munichstraat. 70 studenten. Een korte en drukke openingsavond. In de zaal achterin hebben we tot 30 december wel nog The Pursuit of The Gentlemen's Gentlemen.








dinsdag 20 december 2016

plekken #14

N°54 Oostende. Het Strand. La Plage. The Beach. Der Strand. [C 25] Grijze postzegel met beeltenis van Koning Boudewijn ter waarde van 1,50 BF, afgestempeld te Oostende. Extra poststempel met de mededeling VERMELD DE POSTNUMMERS. Augustus 1969 [?]. Geadresseerd: Mevr. A. Olivier, Markt 21, Gavere. Vele groeten uit Oostende. Mieke, Marie-Paule, Cécile, Bartje, Claudine, Daniël.
N°46 Abbaye de Maredsous. Fromagerie - Affinage. [1] Lucien had een tripel gedronken en daarna ook nog een halve liter kruidenwijn, en nog een tripel, en was reeds vroeg op de avond duifje beginnen zeggen, wat hij goed komt het uit tegen elk van de paters had kunnen zeggen, novice of niet, maar dit keer had hij het dus op mij gemunt en was hij over de kazen begonnen. Hij had m'n expertise bejubeld en zou de bewijslast ongetwijfeld ook aan iedereen getoond hebben als hij de foto had bij gehad.
Ik neem aan dat het weinig uitmaakte of we de kazen telden of niet. Ik deed het ook alleen maar omdat ik als leek weinig geestelijke arbeid te verrichten had. Ik telde niet alle kazen, wat per karretje toch altijd dezelfde uitkomst gaf, maar alleen die exemplaren die er om een of andere reden uitsprongen, kazen waar iets mee was, die tijdens het rijpingsproces een iets donkerder of net een iets blekere kleur kregen of aan een van de hoeken, want ronde kazen deden we niet, een scheurtje vertoonden. Soms was er ook wel eentje dat wat dikker dan de andere stond of vroeg ik me af welke kaas van al die kazen als eerste en welke als laatste aangesneden zou worden. Los hiervan kwam ik tijdens het werk in de kelder maar zelden tot overwegingen van filosofische aard, niet omdat ik daar van nature weinig mee had maar omdat heel wat praktische beslommeringen in de weg stonden. Het rangschikken en tellen van de kazen nam al mijn aandacht, vooral het tellen en het van vooraf aan beginnen telkens Lucien een dwaze lol bedacht. He, heb je gehoord waar Augustinus, die lul de profeet, gisteren mee afkwam, hinnikte hij, tussen twee partijen verse kaas door. Euh, nee, zei ik. En meteen was ik de tel kwijt. [2] Euclidische ruimte. Hoogtepunt.
In de koelruimte hebben ze sinds eind jaren vijftig alleen de blokkaas, elke kaas 1 kilo. Ik kwam van de coöperatieve, waar een geur van urine en verse melk is. De koeien hadden we niet te melken, daar hadden ze een machine voor. Als het tegenzat, zat ik met een stok achter die rotbeesten aan. De eerste keer hotsten ze zowat elke kant uit die je maar bedenken kon alsof er werkelijk niet één was die door had wat van ze verwacht werd. Euclides en Walter had ik opgegeven. In Canet de Mar - waar ik op het eerste boven de churreria van Pepe woonde, waar Maria Llama voor gezorgd had, Maria die ik een jaar eerder op een camping in de buurt van El Escorial ontmoet had een dag voor we samen het Monumento Nacional de Santa Cruz delle Valle de los Caidos bezochten waar ze haar broer weghalen wilde - had ik twee Syrische hamsters gehad, de oudste en dikste van beide genoemd naar Walter Benjamin, die verlekkerd waren op de Madrileense churros die Pepe bakte en elk een apart hok hadden. Euclides en Walter konden niet mee op het kamertje natuurlijk, Plato en Riemann evenmin, een tegenslag die ik slechts te boven kwam door mij met zenuwslopende precisie op de conservatie van de in duizelingwekkend lange rijen uitgestalde blokkaas toe te leggen en mij in het mysterie van die zuivere constructie te verdiepen, een constructie die verrassend exact aan het Euclidische model beantwoordde en dezelfde aanblik bood als de wijken met woonblokken die ik in Parijs en Madrid gezien had.
Geen van de zeven godsbewijzen, al moet ik toegeven dat ik niet weet hoeveel het er precies zijn, Lucien had er in z'n eentje ongetwijfeld vijftig bedacht kunnen hebben, kon op tegen het simpele apogeum van de naast en boven elkaar gestapelde kazen. Het kosmologische godsbewijs bijvoorbeeld, dat alles een oorzaak hebben moet, waarover schriftgeleerden zich een breuk dachten. Ik was elf, geloof ik, zei ik, die keer toen we elk nog één kaas in te brengen hadden, elke kaasblok net als alle andere kazen exact 1 kilo, en er maar één plekje overgebleven waar we de kaas hadden kunnen plaatsen, en had net met zes van de naar schatting zeven godsbewijzen afgerekend... Hoewel het er ook meer kunnen zijn, merkte Lucien op alsof hij elk aantal, of het godsbewijzen of kazen betrof of wat het ook was wat hij bedoelde of misschien net niet bedoelde, een te verwaarlozen pillerij vond. Euh, ja natuurlijk, gaf ik toe, dat spreekt voor zich, zei ik, het kunnen er meer zijn. Ik ken er honderd uit het blote hoofd, zei hij. Honderd..., zei ik geschrokken. Zo'n wijf waar je lul van afvalt, als dat er niet eentje is weet ik het ook niet, grinnikte hij. Waarmee hij ongetwijfeld zijn Maria bedoelde. Zijn Maria, dat was een blondine uit Menen die een kleine van hem had. Allez vooruit, ge weet toch wat ge gedaan hebt of niet godverdomme. Mijn kosmologie, besloot hij, ik stond met m'n mond vol tanden, om het over die grootspraak te hebben, zei hij, ligt om elke straathoek en alles wat zich tussen twee van zulke straathoeken afspeelt, als het kind dan toch een naam moet hebben, voor beter begrip van uw kaasbibliotheek, dat is de consumptiemaatschappij. Met of zonder godsbewijs. Zakdoek met ingewikkelde, hop, zakdoek zonder ingewikkelde knoop. Paljasserij. Trouwens, zei hij, om het gezeik af te ronden, wie het woord consumptie uitspreken kan zonder z'n tong te breken, hoeft niet eens uit te leggen wat hij ermee bedoeld had kunnen hebben. Het meest bedenkelijke, herinnerde hij zich, hoewel hij het niet toen bedacht kon hebben, toen hij als peuter, op z'n zesde om het precies te hebben, in het filiaal van een supermarktketen over een bak met speelgoedsoldaatjes gebogen stond waarvan de hele voorraad mee te nemen was, was dat elk bewijs voor of tegen - allez jongen, brengt dat gauw terug - er eentje met een hoek af was, en de meest voor de hand liggende conclusie, omdat ik zeg dat het zo is, godverdomme, zoals zijn vader het krachtig had weten te formuleren, bleek thans waardevoller, zoals hij het bij voorkeur formuleerde, dan het meest coherente tegenargument.

zondag 18 december 2016

plekken #13

N°58 [38] Cancale (L'Ile-et-Vilaine). Port de la Houle. Le Quai Gambetta. Pierre Artaud & Cie - Editeurs. Rue de la Dutée, ZIL de St.-Herblain, Nantes (44). Fabrication Française.
N°59 Oostburg. Gemeentehuis. Uitg. W. J. Pieters, Oostburg. Iemand schrijft me: 'Ik ben er geboren en werkte half jaren zestig als 16-jarige in drukkerij Pieters voor 30 gulden per week.' Nu wist ik natuurlijk best wel dat hij z'n jeugd in Oostburg gesleten had. Zijn vader had er een platenzaak. Nog voor Freak Out, Bongo Fury, Electricity en die van Velvet met de warholbanaan op de cover in de etalage lagen, had hij ze beluisterd. Bij ons thuis hadden we de Snowwhite Braun platendraaier van midden jaren vijftig, een naar verluidt buitenissige investering. De platendraaier werd bovendien alleen in huis gehaald omdat hij zo mooi was. Meer dan een rheumatische versie van de Bolero van Ravel en een single van Salvatore Amado hadden we niet in huis. Waren we vrolijk gestemd, dan luisterden we naar Vous permettez, monsieur?, wat Tombe la neige als B-kant had. Die situatie veranderde toen ik na een zeer geslaagde oudejaarsavond, waarbij voor het eerst in plaats van zakdoeken en sokken en sokken en zakdoeken witte enveloppes op tafel getoverd werden, doorgaans meteen na het aansnijden van de met kastanjepuree gevulde kalkoen, in staat bleek om me een kleine platendraaier aan te schaffen. Of ik ooit in Oostburg geweest ben, herinner ik me niet.

N°60 Oostburg. Raadhuisplein. ZVL 1503 Namaak Verboden 686. Uitgave J. Torbijn - Goes. Beide foto's tonen het Raadhuisplein. Het als gemeentehuis aangeduide, kaaskleurige gebouw [59] bleef intact. Ook de huizen aan het plein staan er nog. De verkeerscirculatie zou gewijzigd zijn. Het tijdsverloop tussen [59] en [60] is moeilijk exact te schatten. De vroegste ansicht heeft het decorum van begin jaren zeventig, de andere - er is een opmerkelijke toename van het aantal verkeersborden - zou begin jaren tachtig kunnen zijn.

[59] Iemand die er opgroeide, herinnert zich dat het gemeentehuis in de jaren vijftig gebouwd werd. Hij herinnert zich de bouwput, stond naar de bouwput te kijken. Links, waar ze nu een plein hebben, was er een parkje. Ook [60] zou uit die periode kunnen zijn, maar dan ziet hij de auto en de verkeersborden, een auto zoals ze op het autosalon van 1976 hadden, en de richtingwijzers, wat van het plaatje eind jaren zeventig, begin jaren tachtig maakt.
Het bankje is uit dezelfde periode als de bouwput. Als je vanaf het bankje, waar hij vaker zat, uit het beeld stapt en rechttoe rechtaan blijft stappen, kom je op de Eenhoornplaats waar z'n vader op een van de hoeken een platenwinkel had. Die plaats was ooit, net na de oorlog, een brandput geweest. Een put waar ze het water haalden als ergens een huis in de fik stond. Daar, op die plek, is 't ie opgegroeid. Tot z'n zeventiende heeft hij er gewoond. Dat zou dus in zekere zin hetzelfde betekenen als een ansicht van de Spoorwegstraat voor me hebben, voor de met Japanse kerselaar afgelijnde straat, vanwaar we uit het salon op het eerste op de spoorweg keken, in Tuinstraat veranderde, of over een zwart-wit ansicht beschikken van Rue Vilin.
Op de hoek, vlak bij het bankje, hadden ze een garage, dat ziet hij zo voor zich, Garage Adriaensen, waar Leon Hontelez werkte. In het restaurant ernaast, Denisen, Denisen was een gezette man, hebben ze begin jaren zestig getafeld met oma, een viergangenmenu van 32 gulden per persoon, oma die als aperitief een rooie martini bestelde. Later kwam er een Joegoeslaaf. Naast het restaurant was een winkel met naaimachines, Huis Bogaert, hij en Sonja, de jongste dochter, zaten in dezelfde klas, de oudste dochter is minister geworden. En het huis daarnaast was een klerenwinkeltje.
[60] Aan de andere hoek van het plein was een drankzaak waar ze ook sigaren hadden. Z'n oom werkte daar. Nu zitten ze tot in Amsterdam. Huisman was een drogisterij en in het huis ernaast hadden ze een speelgoedwinkel, maar die is weg. Nu is 't een galerie. Er was nog een speelgoedwinkel, die van Jaap Van de Amele, vlak bij de kerk, waar ze later huishoudartikelen verkochten.

plekken #12

N°48 Ronquières. Vue aérienne du plan incliné. [Photo G. Mathieu - Bruxelles] Edit. Hainaut-Tourisme.
N°49 Ronquières. Plan incliné - Hellend Vlak. Dénivellation 67m. Hoogteverschil. La Tour De Toren 164m. [Mexichrome] Edit Druet, Ronquières.
N°57 Bray-sur-Somme (Somme). Le port. E 80.136-29.1.0139. Combier Imprimeur Mâcon "CIM".
N°52 Dinant. Le viaduc Charlemagne. Editions: Batteurs de cuir. [ ] Als Echenoz op het idee komt je Gluck te noemen en tijdens het weliswaar niet heel erg lange récit ook nog je voornaam over het hoofd ziet, terwijl hij je echtgenote wel bij naam noemt, dan heb je op te letten. Van de vele gunsten die hij je verleent, is je familienaam, pas mal de gens portent ce nom de Gluck un peu partout dans le monde, geeft de auteur mee, misschien wel de frivoolste en tegelijk niet zo'n gunstige uitgangspositie. Je verwerft het diploma van burgerlijk ingenieur, je huwt, je specialiseert je in het bouwen van bruggen, d'autres fois des tunnels qui sont peut-être le contraire des ponts, mais enfin principalement des ponts, je echtgenote overlijdt vroegtijdig en je besluit om er mee te kappen. Je bent welgesteld en omdat je weinig om handen hebt, begin je je toe te leggen op het samenstellen van een studie die aanvankelijk geen andere bedoeling heeft dan een korte en zeer algemene historiek van Bruggen en Wegen, meer in het bijzonder die van bruggen. [Jean Echenoz, Caprice de la reine, p. 51-83; Les éditions de Minuit] [ ] In 2006 neem ik in King's Cross Station de trein naar Edinburgh om er als location hunter de omgeving van Forth Bridge te verkennen, een metalen brug die drie keer de lengte van de Eifeltoren heeft en zowel in The 39 Steps als in de remake ervan uit midden jaren vijftig een belangrijke rol toebedeeld kreeg. De derde of vierde dag gaat het vanuit Queensferry met een taxi naar North Queensferry. Het stadje aan de noordelijke oever van Forth, met een kleine, modderige baai waar visserssloepen en motorbootjes dobberen, een hotel op een brede landtong en een kleine scheepswerf helemaal aan het eind van Battery Road, ligt voor een deel pal onder Forth Bridge. In het westen torent een recenter bouwsel boven het dorpje en de baai uit, Forth Road Bridge. Vlak bij de zuidelijke helling bevinden zich een McDonald's en een Burger King. [ ] Twee landschappen, het landschap van de autosnelweg en het landschap van de rivier. [ ] In een sloep met buitenboordmotor vaart de protagoniste van de titelloze film onder beide bruggen door. Titelloos, dus niet Film zonder titel & de goedkope ironie dat het hiermee toch een titel heeft, cfr. Roman zonder titel, cfr. Sans paroles. Geen [ ], geen ( ) en geen •. Ook een leesteken kan [zou] als titel gelezen [kunnen] worden. De kleine scheepswerf helemaal aan het eind van bevindt zich overigens niet aan het eind van Battery Road (Battery Road geeft uit op een slechts voor bevoegden bestemd terrein vlak onder een van de noordelijke steunpunten van Forth Bridge) maar op een smalle landtong die de baai van North Queensferry westelijk omarmt: aan het begin van de film vaart de sloep met buitenboordmotor kortom niet onder Forth Bridge door, hoogstens onder de ongeveer een halve mijl landinwaarts hoog boven de baai uitstekende, voor auto- en vrachtverkeer bedoelde Forth Road Bridge, een boven de zeeëngte hangende, betonnen constructie uit 1964. [ ] Niet eens een halve eeuw na de bouw van Forth Road Bridge bleken de kabels waaraan de brug boven het water hing dermate geërodeerd [Forth Road Bridge is ongetwijfeld een van de bruggen die Gluck in z'n Korte historiek van Bruggen en Wegen opnam] dat de stabiliteit van de enorme constructie - met een reële massa transport die reeds eind 20ste eeuw het dubbele was van de voorziene capaciteit - niet langer gegarandeerd kon worden.