zondag 24 februari 2008

zondag 24 februari

'En nu iets van Chopin,' zei Beugelsnijer, 'vooruit, Grepet, aan Tafel!'
'Hou op met die onzin, Cristobal!' We lagen krom van het lachen, Grepet klom op Tafel, stak z'n broek af en begon zonder verdere argumentatie aan de derde ├ętude van Frederic Chopin waaraan hij dankzij het flink uit de kluiten gewassen gezwel een heel erg specifieke en juiste toonaard wist te geven. Paarhus reutelde van het lachen, liep rood aan, vertoonde verstikkingsverschijnselen terwijl Beugelsnijer met erudiete grijns aan z'n grijze snor pulkte, geheel terecht apetrots op de grap en wel alsof hij de grap zelf bedacht had, tenminste, had kunnen hebben, 't was Grepet tenslotte in z'n onderbroek die de kamer met een lucht van savooipuree bemestte terwijl Tafel als een rund op een cigarillo stond te sabbelen, er mee pronkte als iemand met een toupetje waarvan je al meteen na de eerste aanblik ziet dat het scheef over de oren hangt. Kom jongens, zei ik, we vliegen er tegenaan. Dus na enig gestommel trok Grepet z'n broek op, gespte een broeksriem dwars over de vette balg, zei 'van Heirseele, godverdomme! - Laat een mens toch kakken!'
Ik keek op de linkerpols, besloot dat we genoeg tijd verloren hadden. Dus goed, Grepet, Beugelsnijer en Paarhus achterin, watertandend, Paarhus klein van stuk tussen Grepet en Beugelsnijer in, Tafel naast me, bladert in een boekje, pulkt, het environnement ontsloten - 'Welnu, heren, kijk toe, een schotelvod! orkaan! wirwar!' - en zo van Pist-Ter-Plekke en Kutzeke naar Tettekom (terwijl ik over de rugleuning heen de gore baklucht van Grepet in m'n nek had), met een kerktoren als een kutvinger in het kutzwerk, dan het zonlicht als een blinddoek, het gezeik van Grepet, Tafel die over z'n grootvader van moederskant begon, oorverdovend geklets, Paarhus die hier tegenin bracht dat hij van vaderskant van een boekhouder afstamde, godverdommegodverdommegodverdomme, van een boekhouder, Paarhus met vijfendertig puisten tussen neus- en kaakbeen, van een boekhouder godverdomme, waarop ik zei - om iets te zeggen - dat dat tenminste een duidelijke afkomst was. Dat iemand in de duizelingwekkende diepte van een kartonnen doos over papieren gebogen zat, ze een voor een doornam, de documenten, daar conclusies aan wist te verbinden, zich met getallen en aantallen bezighield en derwijze op een simpele manier de dialectiek van het pro en contra tot een glashelder cijfer wist te herleiden. Want - Oei! Oei oei. Dus van zaken wist en wist van bonnetjes en van paperasserij wist en hoe je die klerezooi bedwingen moet. Als zodanig gereduceerd tot route (Grepet lalt, Tafel neemt een recente index van de Wereldatlas door, Paarhus staart met gesteven nek naar het in zichzelf omgekeerde landschap) belanden we in Kwijl. Hier richtingaanwijzers naar Slappekak en Klote. Aan het einder steekt de torenspits van Pisterop boven een heuvel met onduidelijke gewassen uit.
In een schaduw van berkjes liggen de lijken die we er niet verwacht hadden, de takken tonen prachtige klauteringen.

In het open veld, daarnumaals, aan een kruispunt, drie hondenbezitters en een touw dat elk van hen aan het gespreksonderwerp vastknoopt. Afkomst, soort en de obscene lyriek van hoe interessant zo'n hondenleven is. Maar, o wee! - hoe betreurenswaard is het lot van mensen die een hond hebben. Ze maken wandelingen, staan aan bosjes en grasveldjes te wachten tot het blaffend ridicuul z'n gevoeg heeft gedaan, hebben een emmertje en een schepje bij of een zakje, gaan er vervolgens na verloop van tijd net zo honds als dat stomme beest uitzien - op kromme pootjes en met een gesteven sjaaltje om het bepoederde kapsel - en dat alles elementair, elementair.
Soms zou je hardop tegen een verkeerspaal willen aanlopen zodat je niet de andere kant hoeft op te kijken.

BERGTOP

Ik manoeuvreerde de auto over het smalle baantje tegen de helling op, Grepet was in slaap gevallen, ronkte, lag met z'n smoel breekbaar tegen de ruit, Paarhus zat tussen Beugelsnijer en Grepet in, Beugelsnijer die zich in het landschap verdiepte, een kolkende, bloedstollende diepte van weilanden en huizen die als in een vergeetput voorbij de rand van het landschap stonden, er af gleden met berkjes en scheef zakkende stallingen die er achter aan tuimelden, op ons afstormende verkeerssignalisaties, elektriciteitspalen en her en der oprukkende industriegebieden die verschrompelden en naarmate de weg vorderde wegzakten in het stuikende hinterland. We passeerden een gehucht, een geur van koolsoep en gekookte aardappelen deed zich voor, vochtige weilanden en akkers spoelden weg in de riolering van het tijdstip, bewoners klampten zich vast aan bungelende touwtjes en in de achteruitspiegel zag ik het van elke vorm van argumentatie bevrijde gezicht van Grepet, snurkend in meervoudige onschuld, speeksel bevochtigde de mondhoeken. Ik pinkte een traan weg.
Pas toen we bovenop de berg waren aanbeland, begreep ik het landschap dat zich in ijzingwekkende verdubbeling om ons heen uitstrekte, de landerijen die aan een lijntje in het zonlicht hingen, de keurig opeengestapelde verdiepingen van het landschap waar spoorbermen en brede straten afbrokkelden.
'Even de benen streken,' zei ik.

En hier dus, op een eenvoudige plek - gras, struikjes, een boomtak - rees het bergmassief boven de modder uit. Zonder het landschap dat ons tijdens bloedstollende ogenblikken vertrouwd en nabij geleken had, ons toevertrouwd in een fluistering van ogenblikken, dat ons van dichtbij gadesloeg en in een wirwar van voetstappen achter ons aankroop, minder zeker van zichzelf nu Tafel het in het register van feiten had aangekruist en Grepet al met het bonnetje liep te zwaaien, het afgiftebewijs van als zodanig begrepen afstand - de vergeetput waarin het zonlicht druppelde en een wegrand die afdroop in blindelings gehoorzame rotondes. Als een in graniet ondergedompelde wolk rees het bergmassief boven de modder uit, vulkanisch van oorsprong. Een scherpe zandkorrel drukte aan de binnenzijde van de schoen tegen de voetzool aan, drong generaties ver in de voetstap door, wat een wijd om zich heen grijpende stofwolk veroorzaakte en een panopticum tenslotte van zich vertakkend metselwerk. Iemand smeerde tuna en met gedroogde tomaat op smaak gebrachte mozarellapastei op een broodje.

Geen opmerkingen: